De foto hierboven is van de Carrer dels
Petons, de Straat van de Kussen. Een mysterieus, doodlopend steegje aan de rand
van de wijk La Ribera, met een al even raadselachtige naam. Al ontbreekt het niet aan verklaringen van de herkomst.
Verklaring 1 begint met de feiten: De Carrer del Petons was ooit verbonden met de Carrer del Portal Nou, totdat op de doorgang het huis van het
bontwerkersgilde werd gebouwd. Verder woonde in de Carrer del Portal Nou ooit ene Joan
Pontons, zo blijkt uit een document van 1651.
Maar dan wordt het gissen: Pontons was mogelijk een
vooraanstaand man, belangrijk genoeg zelfs voor een ´eigen´ straat (die
overigens ooit Carrer de la Fusina heette, en nóg eerder Carrer de Jaume Negre).
De Barcelonezen vervingen in de loop der tijd – voor de grap of uit onwetendheid - ´pontons´ door ´petons´. En daarom heet de
straat nu Carrer del Petons.
Verklaring 2 is die van de zwartkijkers. Die
zeggen dat het straatje ooit de plaats was waar de ter dood veroordeelden afscheid konden
nemen van hun geliefden, voor ze werden opgehangen. De galg stond op de Esplanada, de kale
strook land die diende als veiligheidszone tussen La Ribera en de Ciutadella,
het gigantische fort dat was gebouwd in opdracht van de Spaanse
koning Philips V.
Ophanging op de Esplanada.
Straat en naam Carrer
del Petons dateren echter van vóór 1717, het jaar waarin werd begonnen met de bouw van de Ciutadella. En dus, zeggen de romantici, ligt het anders (verklaring 3):
het donkere, nauwe straatje was (en is?) gewoon een prima vrijplek voor verliefde
stelletjes.
Daarbij sluiten wij ons graag aan, in ieder geval voor vandaag: de dag van Sant Jordi, de Catalaanse Valentijn.
Burgemeester Trias beloofde het vorig jaar november al. Alle palmen van Barcelona zullen worden vervangen. De burgervader deed zijn belofte nadat twee zusters op de Avenida Diagonal gewond werden door een exemplaar dat van het ene op het ander moment bij de wortels afbrak.
Het zoveelste slachtoffer van de rhynchophorus ferrugineus, ofwel de palmkever/ palmsnuitkever. Deze moordenaar laat zijn larven in de boom achter, die vervolgens hun verblijfplaats van binnenuit opvreten. De bladeren drogen uit, gaan hangen en voordat je het weet, heb je de boom dus op je kop.
De Catalaanse regering schat dat inmiddels meer dan 6000 Catalaanse palmbomen het slachtoffer zijn geworden van de kever, sinds deze ruim zes jaar geleden voor het eert gesignaleerd werd op vaderlandse bodem.
Dus moet is het nu palmen ruimen geblazen, al dan niet preventief. Vandaag moesten de eerste drie exemplaren op het Plaça Reial, eraan geloven, het Koninklijke Plein pal achter de Rambla dels Caputxins, dat door die stompjes palmboom nu tijdelijk een stukje minder koninklijk is.
Ferdinand II van Aragón
Maar eigenlijk is die benaming ´koninklijk´ altijd wat problematisch geweest. Oorspronkelijk gaat het om een eerbetoon aan Ferdinand II van Aragón (1452 – 1516). Koning van Valencia, Mallorca, Cerdeña, graaf van Barcelona, maar vooral: de eerste koning van wat nu Spanje heet (minus Baskenland en Navarra), door zijn huwelijk in 1469 met Isabel van Castilië.
Plaça Reial, rond 1900.
En dus moest er in het centrum van het plein, dat vanaf eind 1848 werd aangelegd, een monument voor Ferdinand verschijnen. Ergens tussen 1850 en 1860 werd het voetstuk geplaatst, maar verder dan een gipsen kopie van een door José Piquer te vervaardigen metalen beeld is Ferdinand niet gekomen. Om nu onbekende redenen werd dit exemplaar nooit geplaatst. In plaats daarvan werd het plein ´verrijkt´ met een waterpomp. Dat vond de hoofdarchitect van de stad, Antoni Rovira i Trias op een gegeven moment toch te gewoontjes. Een monumentale, gietijzeren fontein moest er komen die de ´monotonie en koude uitstraling van het plein´ zou doorbreken.
Plaça Reial, vandaag.
Catherine de Medici
In 1876 kreeg het Koninklijke plein zijn Koninklijke fontein: de Drie Gratiën. Gemaakt in Parijs naar een Frans origineel uit 1561. Dat laatste beeld was besteld door de Franse koningin Catherine de Medici, als eerbetoon aan haar eerder overleden man, koning Hendrik II. De urn bovenop het beeld bevatte zelfs diens hart. Na wat omzwervingen door Parijs belandde het Franse beeld uiteindelijk in het Louvre.
Zijn Barcelonese tegenhanger – zonder beroemd hart – maakte eveneens een stadsreis. Vanaf 1907 stond het op de Rambla de Poblenou. Totdat het Plaça Reial in 1926 een opknapbeurt kreeg en De Drie Gratiën terugkeerden naar hun oude plaats. Daar staan ze onopvallend koninklijk te zijn, sinds lang overschaduwd door Gaudi´s straatlantaarns:
´De Drie Gratiën in verlegenheid gebracht tussen twee versierders.´ Spotprent gemaakt toen Gaudi´s straatlantaarns op het Plaça Reial werden geplaatst (1879).
Lekkerbekken met een kleine(re) beurs opgelet! Houd je van goed en luxe eten en ben je de komende dagen in Barcelona, dan zit je goed. Vanaf morgen (13 april) t/m 22 april vindt de derde editie van de Barcelona Restaurant Week plaats. Voor 24 + 1 euro eet je de komende dagen een compleet menu in meer dan 30 van de beste restaurants van de stad. Net zoals vorige jaren gaat die extra euro naar een goed doel. Dit jaar zijn dat de Spaanse Hartstichitng en een opvangcentrumvoor slechtziende honden.
Reserveren kun je op www.atrapalo.com. Wees er wel snel bij, want de vorige edities van de Barcelona Restaurant Week waren een groot succes.
De derde post van een trilogie over hoge gebouwen in Barcelona (voor de eerdere posts, klik hier en hier). Dit keer over een toren die telkens weer opduikt in de verhalen van Barcelona-vorsers en zij die daarvoor willen doorgaan. Een paar dagen geleden was het weer zover. Imma Santos, journaliste bij El Periódico, werd samen met haar co-auteur Aureli Vásquez door haar eigen krant geïnterviewd over La Barcelona Invisible (Het Onzichtbare Barcelona); een door beiden geschreven boek vol ´geheime verhalen´ over de Catalaanse hoofdstad.
La Barcelona Invisible bevat zeventig van die stadsgeheimen, al hebben Imma en Aureli stof voor ´een tweede en derde boek´. Wist de interviewer bijvoorbeeld dat de Eifeltoren in Barcelona zou worden gebouwd? Imma vroeg het ´met een ondeugende glimlach, die vast en zeker nog veel meer geheimen verborg´.
Niet zo...
Dat Eiffeltorenverhaal is snel verteld. Gustave Eiffel zou zijn beroemde project hebben aangeboden aan de organisatoren van de Wereldtentoonstelling van 1888 in Barcelona. Dezen wezen zijn aanbod echter af, als zijnde te duur en ook nog eens niet passend bij de stad. Waarop de toren in Parijs werd gebouwd, als entree voor Wereldtentoonstelling van 1889. Barcelona moest het een jaar doet met een Arc de Triomf (nee, geen kopie van die in Parijs) als hoofdingang van zijn tentoonstelling.
Google
Een mooi verhaal, maar geheim? Google ´torre Eifel´ en ´Barcelona´ en je krijgt een paar pagina´s met websites en blogs waarop het verhaal staat. Bij een bezoek aan Barcelona vorig jaar zei een van Eiffels erfgenamen niet te twijfelen aan de juistheid ervan. Met bewijzen of argumenten kwam deze Philippe Couperie-Eiffel echter niet.
Lluís Permanyer zal hij in ieder geval niet overtuigd hebben. De erkende Barcelona-specialist en auteur van meerdere prijswinnende boeken over de stad schreef in 2009 in La Vanguardia een artikel over deze urban legend. Elk bewijs voor het verhaal ontbreekt, concludeerde Permanyer. En passant wees hij op een plan voor een Franse toren voor Barcelona, waarvoor dat wél het geval is. Een toren ontworpen door de uit Toulouse afkomstige J. Lapierre. ´Slechts´ 210 meter en geheel opgetrokken uit hout.
Eind november 1886 bezocht de Franse architect Barcelona, om de mogelijke locatie van zijn toren te beoordelen. La Vanguardia was erbij. Op 30 november besloot de krant zijn berichtgeving over het bezoek als volgt: Het is dus reeds een feit dat Barcelona de primeur zal hebben van een gigantisch werk, in zijn soort veruit superieur tot nu toe, en dat waarschijnlijk alleen geëvenaard zal worden door de grote Eiffeltoren, bestemd voor de Wereldtentoonstelling van Parijs in 1889. Eiffels toren wordt dus wel genoemd, maar elke verwijzing naar een eerder aanbod aan Barcelona ontbreekt. Een link die de auteur van het artikel ongetwijfeld had vermeld, indien zo´n aanbod bekend was geweest.
Datering
Dan is er nog het probleem van de datering. Op 8 november 1884 liet de Franse minister van Handel liet weten positief te staan tegenover een Wereldtentoonstelling in zijn land. Pas daarna kocht Eiffel van zijn assistenten Nouguier y Koechlin - de eigenlijke bedenkers van de toren- alle eigendomsrechten van het patent op de toren, inclusief die voor het buitenland. Dat laatste was niet nodig, wat op 12 juni 1885 al keurde de Franse vereniging van Civiele Ingenieurs Eiffels project goed (op wat details na), waarmee een belangrijk mogelijk obstakel op weg naar de bouw in de Franse hoofdstad was genomen. Op dat momentmoest in Barcelona het contract met Eugenio R. Serrano Casanova, de initiatiefnemer van de locale Wereldtentoonstelling, nog getekend worden! Dat gebeurde zes dagen later, op 18 juni. Waarom, stelt ook Lluís Permanyer in zijn La Vanguardia-artikel, zou Eiffel naar Barcelona zijn gestapt met zijn toren, op een moment dat lang niet zeker was dat die tentoonstelling er ook echt zou komen?
Kortom: Eiffel kán zijn toren aan Barcelona hebben aangeboden, maar echt waarschijnlijk is het niet – wat zijn erfgenamen ook mogen beweren. En áls hij het al heeft gedaan, dan sneaky - het echte geheim van de Barcelonese Eiffeltoren. Zo niet, dan had de Catalaanse pers van die tijd over het plan geschreven.
...maar zo.
Broodjeaapverhaal
Geen Eifeltoren dus in Barcelona. En evenmin een Lapierre-toren, noch een vergelijkbaar bouwsel van zijn Catalaanse mededinger Pere Falqués (onder meer ontwerper van de vaak aan Gaudí toegeschreven banklampen op de Passeig de Gràcia). Barcelona had de grootste problemen om de financiën voor de Wereldtentoonstelling rond te krijgen. Voor een dure toren brak eenvoudigweg het geld. Uiteindelijk werd dus de relatief bescheiden Arc de Triomf de entree van de Barcelonese Wereldtentoonstelling. Overigens zijn ook met dit bouwwerk de nodige legendes verbonden. De opvallendste: architect Josep Vilaseca vreesde dat zijn triomfboog zou instorten, op het moment dat de steigers zouden worden weggehaald. Zéér waarschijnlijk een broodjeaapverhaal.
En echt honderd procent onzin: wat de Nederlandse Wikipedia schrijft over de oorspronkelijke locatie van de boog.
De Wereldtentoonstelling van 1888, op de achtergrond de Arc de Triomf. Op dezelfde plaats als nu.
Spain and skycrapers! The two hardly seem congruous, for we are apt to think of that country in terms of patios, low flat-roofed buildings, and a easy sort of philosophy which has accepted things as the stood century after century.
Het tijdschrift The American Architect kon er in 1920 niet over uit: die altijd laag-bij-de- grond levende en niets ondernemende Spanjaarden wilden een wolkenkrabber bouwen! En dat nog wel op eigen initiatief!
Mogelijk begon het allemaal drie jaar eerder, met een opiniestuk van ene Bartomé Castell in de La Vanguardia van 9 december 1917. Castell wondt zich daarin op over het totale gebrek aan professionele kantoorruimte in Barcelona. Advocaten, notarissen, klerken en ander kantoortypes werkten in ruimten die eigenlijk waren bestemd voor wonen. In de ergste gevallen ging het om een hoekje in de eigen woon- of slaapkamer, waar de noeste hoofdarbeider moest opboksen tegen de schoonmaak- en kookgeluiden van moeder de vrouw en het pianospel van weinig muzikale buren.
Primitief en weinig zakelijk
Een ´zeer primitieve en weinig zakelijke situatie´, oordeelde Castell. Zijn oplossing: wolkenkrabbers. “Tot in het Verre Oosten hebben wij deze gebouwen gezien. Waarom kunnen we ze niet ook in Barcelona hebben.” Een ideale locatie had hij ook al: Plaça de Catalunya, al was de aankoop van grond daar mogelijk kostbaar en zou het gebouw op het plein misschien ´uit de toon´ vallen. Geen nood. Een mogelijk nog betere optie was volgens de auteur de op dat moment nog volop in ontwikkeling zijnde Vía Laietana, toen nog bekend als Vía A of La Reforma. Goedkopere grond en ´dichtbij de treinstations, de haven, de beurs en het postkantoor´. Castell eindigde zijn artikel met een vraag: Zou er in Barcelona geen half dozijn vastberaden mannen zijn dat ´liever vandaag dan morgen´ het idee oppakt van een wolkenkrabber in La Reforma?
El Triangle, met rechtsonder Café Zürich.
Dat half dozijn was er, alleen was het niet te porren voor La Reforma. Plaça de Catalunya moest het worden. Een groep investeerders onder de leiding van de promotor Ramon Selles Miró kwam begin 1918 met het plan voor een reusachtige wolkenkrabber op het plein, op de plaats waar nu het winkelcentrum El Triangle (het FNAC-gebouw) met Café Zürich zit.
Tribune Tower
Entree van de Amerikanen. Want uiteraard stapten de Catalanen naar degenen die wisten hoe je zo´n ding moest bouwen. John Mead Howells en James Gamble Rogers heetten de heren. Vooral eerstgenoemde was een goede keuze. Mead Howells maakte een paar jaar later samen met James Hood naam met het ontwerp voor de Tribune Tower, de hoofdzetel van de Chicago Tribune. Een reus van 34 verdiepingen en 141 meter hoog.
De kolos die de Amerikanen eerder ontwierpen voor hun Catalaanse klanten deed daar overigens maar weinig voor onder, met z´n 30 verdiepingen en 130 meter. In wat het hoogste gebouw van Europa had moeten worden was uiteraard plaats voor veel kantoren, maar ook voor winkels, galerieën en zelfs een hotel. Ondergronds moest een treinstation komen, zo hadden de heren bedacht, zittende aan hun tekentafel.
Gelukkig is het plan – om nu onbekende redenen – lange tijd niet verder gekomen dan die tekentafel. Op dat ene artikel in The American Architect na dan. Het tijdschrift verscheen op 29 december 1920; één maand eerder, op 30 november, was Café Zürich opengegaan.
Anno 2012 is het café nog steeds een van de populairste ontmoetingspunten van de stad. Ook met de wolkenkrabber gaat het de laatste jaren goed. In 2009 werd hij dan eindelijk gebouwd. Als schaalmodel, gemaakt voor de tentoonstelling Cerdà, 150 anys de modernitat.
An offer he can´t refuse. Dacht de Generalitat, de Catalaanse regering. Het aanbod aan casino-tycoon Sheldon Adelson: een mooi landelijk terrein in de delta van de rivier de Llobregat. Op slechts een paar kilometer van Barcelona en met uitstekende verbindingen met de stad. En, het allerbelangrijkste, op een steenworp afstand van het vliegveld El Prat. Erg handig voor de toekomstige bezoekers van het door Adelson te bouwen Eurovegas. Een gigantisch megacomplex, met 12 resorts (36.000 kamers), 6 casino´s, 9 theaters, 3 golfbanen en een scenario met 15.000 zetels.
Indrukwekkende cijfers zijn het, die slechts verbleken bij die van het aantal door Adelson beloofde banen: 164.000 directe jobs en nog eens 97.000 indirecte. Daar offer je als landje in crisistijd graag wat groen plus bijbehorende geitenhouders, artisjokkentelers en historische boerderijen aan op:
Liever Las Vegas dan Madrid
Eind februari bezocht Sheldon Adelson zelf het gebied. Een bliksembezoek van een halve dag was het. De man uit Las Vegas racete door de Llobregat-delta. Hij had nog net tijd om in Barcelona de Torre Agbar (144 meter hoog) weg te zetten als een aardig torentje, maar zeker géén wolkenkrabber.
De Generalitat rook onraad: wolkenkrabbers?! Pal naast ons vliegveld?! Dat kan niet.
Afgelopen weekend toog Lluis Recorder, de Catalaanse minister voor Grondgebied en Duurzaamheid(!), naar Las Vegas, om bij Adelson de Catalaanse zaak nog eens te bepleiten. Spel van de dag: blufpoker. ¨We verkopen ons land niet. Het Las Vegas-model is niet toepasbaar in Catalonië" verklaarde Recorder voor de Catalaanse tv, voorafgaand aan het samenzijn met Adelson. Zo, dat was nog eens klare taal van de stoere Lluis, ooit door Al Gore uitverkoren als een van de prominenten die in Spanje het slechte nieuws over het klimaat mocht verspreiden.
De Venetian Macau, eigendom van Las Vegas Sands. Hoogte: 225 meter.
Helaas, de doorgewinterde gokker Adelson was niet onder de indruk: zijn Eurovegas moet en zal (erg hoge) wolkenkrabbers hebben, net zoals de 5 andere gokcomplexen die zijn Las Vegas Sands Cooperation bezit, in Las Vegas (2), Pennsylvania, Macau en Singapore.
Wat de zaak nog erger maakt: er is nog een kandidaat als vestigingsplaats van Eurovegas en die luistert naar de naam Madrid. Een zware delegatie van de Spaanse hoofdstad mocht een dag na de Catalanen opdraven bij Adelson. Wolkenkrabbers? Geen enkel probleem. Madrid heeft al vier reuzengebouwen (250, 249, 236 en 224 meter), daar kunnen er nog wel een paar bij.
En zo dreigt de eeuwige concurrent op sportief, politiek en economisch gebied de vette Amerikaanse jackpot te gaan winnen. Onverteerbaar voor de Generalitat, dat dan ook prompt een plan B uit de barretina toverde: bij het plaatsje Montcada i Reixac, 14 kilometer ten noorden van Barcelona, liggen een paar terreinen die héél geschikt zijn, ook voor wolkenkrabbers. Het plan is per brief, ondertekend door president Artur Mas, verstuurd naar Las Vegas. Een dezer dagen (kleine ode aan J.L. Heldring, die vandaag stopt met zijn NRC-column) zal de brief zonder twijfel in huize Adelson arriveren.
Plan B: omcirkeld het gebied bij Montcada i Reixac
Antoni Gaudí
Tot zover de Catalaanse uitverkoop. Antoni Gaudí zal het gedoe vanuit de architectenhemel ongetwijfeld hoofdschuddend aanzien. Zijn boetedoeningstempel de Sagrada Familia moet in 2018 zijn hoogste punt bereiken. Met zijn170 meter zal het bouwwerk dan – hopelijk - het hoogste gebouw van Barcelona zijn.
Ja, ook Gaudí wilde een zo hoog mogelijk gebouw neerzetten. Maar in tegenstelling tot Sheldon Adelson had de Catalaanse bouwmeester met die hoogte een spiritueel doel: de Sagrada Família moest van elk willekeurig punt in Barcelona te zien zijn, als een onontkoombare oproep aan de zondaren om terug te keren naar de Heilige Familie, naar God. Bovendien liet de diep-religieuze Gaudí zich bij het bepalen van de uiteindelijke hoogte van zijn tempel niet leiden door grootheidswaanzin, hebzucht of technische (on)mogelijkheden. Zijn leidraad was het werk van God, en dat is de natuur. Deze wordt in Barcelona het beste gesymboliseerd door de Montjuïc. Deze beroemde heuvel aan de zuidkant van de stad is officieel 173 meter hoog. En dus bleef Gaudí daar met zijn Sagrada bescheiden een paar meter onder. Want, zo stelde hij, wij mensen moeten niet proberen het werk van God te overtreffen.
De merksteen op de Plaça del Blat moet er volgens deze vroeg-20ste eeuwse reproductie zo hebben uitgezien.
´Dat is de plaça del Blat´, had zijn vader gezegd, ´het centrum van Barcelona, zie je die steen in het midden van het plein?´ en Arnau keek naar de plek die zijn vader hem aanwees. ´Nou, die steen betekent dat de stad vanaf dat punt in vieren is verdeeld: het kwartier van de Zee, van de Framenors, van Pi en van de Salada of Sant Pere.´
Bovenstaand citaat is afkomstig uit De Kathedraal van de Zee (La Catedral del Mar), de bestseller van Ildefonso Falcones, waarvan het verhaal zich afspeelt tegen de achtergrond van de bouw van Santa Maria del Mar in de 14e eeuw. Een spannend en meeslepend boek en ook nog eens heel informatief. Dat komt omdat Falcones – kind van Barcelona, en behalve schrijver ook advocaat - behoorlijk goed de historische feiten volgt. Spelenderwijs kom je zo van alles te weten over het leven in het Barcelona van de 14e eeuw en over hoe de stad er toen uitzag.
Plaça del Blat, zo genaamd vanwege de tarwe(blat) die er werd verhandeld, bestaat dan ook echt, al luidt de tegenwoordige naam Plaça d´Àngel, Plein van de Engel. Die naam dankt het aan een wonder dat er in juli 1339 zou hebben plaatsgevonden. Op de eerste zondag van die maand werden de resten van Barcelona´s patroonheilige Eulàlia overgebracht van de in aanbouw zijnde Santa Maria del Mar naar de kathedraal van de stad. Toen de stoet monniken onder leiding van koning Pere III op het Plaça del Blat aankwam, gebeurde er iets vreemds: van het ene op het andere moment was Eulàlia's kist letterlijk niet te tillen. Donder en bliksem Wat te doen? Gelukkig, een paar tellen later verscheen een engel, onder het geraas van de nodige donder en bliksem. De engel zelf gaf geen kik, maar wees slechts beschuldigend naar een van de monniken die de kist droegen, om vervolgens weer net zo snel te verdwijnen als hij of zij was gekomen.
Als je door engel wordt beschuldigd dan rest je slechts één ding: bekennen. Beschaamd vertelde de monnik zich een teen van Eulàlia te hebben toegeëigend.
Een kleine replica uit 1966 van het originele engelbeeld, boven het balkon van het gebouw aan het Plaça de l´Àngel 2.
De engel gaf geen kik, maar wees slechts beschuldigend naar een van de monniken
Of de dief in de stadsgevangenis is beland – die toen aan jet Plaça del Blat stond -, dat vertelt het verhaal niet. Evenmin hoe de Eulàlia´s teen weer werd bevestigd aan haar maagdelijke voetje. Wel dat dat haar kist vanaf dat moment licht als een veertje was en de processie zonder verdere problemen de kathedraal bereikte.
Het Plaça de l´Àngel rond 1930, met midden op het plein de toen kersverse
ingang (Jaume I) van de metro. Het beeld van de engel was al halverwege
de 19de eeuw verwijderd. ´Te groot voor zo´n klein plein´, luidde het
oordeel van de autoriteiten. Te zien is het echter nog altijd: in het
Museu d´Història de Barcelona aan het Plaça del Rei.
Eerst zien, dan geloven Hetzelfde jaar al werd besloten om het plein te verrijken met een afbeelding van Eulàlia. Een plan dat vreemd genoeg pas halverwege de 15de eeuw werd uitgevoerd. Toen kreeg de boog die als ingang diende van de Baixada de la Presó (nu de Baixada de la Llibreteria) een beeldje van de heilige. Weer veel later, in 1618, kreeg de engel een beeld op het plein. Vanaf dat moment ook noemden de inwoners van de stad het plein Plaça de l´Àngel – een naam die 1865 ´officieel´ werd. Kennelijk gold voor de Barcelonezen: eerst zien, dan pas geloven.
Zoals gezegd, ook Barcelonees Ildefonso Falcones houdt zich liever aan de historisch wat hardere feiten, wanneer het gaat om de setting van zijn verhaal. De markeersteen uit het citaat hierboven heeft dan ook echt bestaan - de eerste bronvermelding dateert uit 1316. En in De Kathedraal van de Zee wijdt de schrijver meerdere pagina´s aan de overbrenging van Eulàlia´s resten. Aan het wonder van de engel? Geen woord.
Ildefonso Falcones – de Kathedraal van de Zee. Uitgeverij Sijthoff, 2007. 671 pagina’s. Wil je langs deze en andere plaatsen die een belangrijke rol spelen in het meeslepende boek van Ildefons Falcones? Ga mee met onze Kathedraal van de Zee-wandeltour! Meer info vind je hier.
Eerlijk duurt het langst. Maar niet altijd, lees het volgende verhaal:
In het jaar 303 begon de Romeinse keizer Dioclecianos met de grootscheepse vervolging van de Christenen in zijn rijk. In Hispania nam Daciano de honneurs waar. Op zijn strafexpeditie door het land liet deze wreedaard een spoor van christelijke martelaren achter. En natuurlijk werd een aantal van hen later door de kerk heilig verklaard. Bekende Catalaanse martelaren uit die tijd zijn onder meer de jonge maagd Eulàlia, die het zelfs schopte tot beschermheilige van Barcelona, en Cugat, naamgever van Sant Cugat de Vallès, tot dan Castrum Octavionum geheten, aan de andere kant van de Collserola bergketen.
De ontmoeting tussen Medir en Sever.
Dwars door Collserola maakten de Romeinen ooit de heerweg tussen beide plaatsen. Aan deze weg, in de vallei van Gausac, woonde begin 4e eeuw de brave boer Medir. Op 3 maart 304 kreeg hij voornaam bezoek, in de persoon van Sever, bisschop van Barcino (Barcelona). Sever was op de vlucht voor christenvervolger Daciano. “Brave man”, sprak de bisschop tot Medir, die juist druk bezig was met inzaaien van tuinbonen in zijn groentetuintje. “Wanneer de soldaten van Daciano naar mij vragen, wil je hen dan eerlijk de waarheid vertellen?”
Flauwe grap Dat beloofde Medir, braaf als hij was. De bisschop had echter nog niet de hielen gelicht, of Medirs tuinbonen begonnen als razenden te groeien. Binnen een paar minuten had de stomverbaasde boer een tuin vol grote bonen, rijp voor de oogst.
Een paar uur later arriveerden de soldaten van Daciano. Wanneer Sever langs de boerderij gekomen was? “Toen ik de bonen aan het inzaaien was”, antwoordde Medir . “Wat is dit voor een flauwe grap”, riepen de soldaten, toen ze de oogstrijpe bonen zagen. Woedend maakten ze Medir met hun zwaarden letterlijk een kopje kleiner.
Gelukkig, naast eerlijkheid bestaat er ook zoiets als gerechtigheid: Sever - tenslotte de veroorzaker van Medirs onthoofding - werd ook door de Romeinen te grazen genomen. Nog vóór Sant Cugat kregen ze hem te pakken. Ter plekke timmerden ze een grote spijker in het bisschoppelijke hoofd. Exit Sever.
Nu ja, niet helemaal. Want Sever werd later heilig verklaard. In Barcelona heeft Sever een eigen straat met daarin een naar hem vernoemde kerk. Bovendien is Sant Severius de beschermpatroon van alle hoofdpijnlijders – voor wat het waard is.
Begin jaren twintig van de vorige eeuw was het al gezellig druk bij de Sant Medir kapel.
Bedevaart Uiteraard riep de katholieke kerk ook martelaar Medir tot heilige uit. Op de plek waar ooit diens boerderij zou hebben gestaan, werd nog in de Romeinse tijd een kapel gebouwd. Gedurende de Middeleeuwen beheerde het benedictijnenklooster van Sant Cugat de inmiddels ingrijpend verbouwde kapel. Maar na die tijd raakte Sant Medir (ook wel Sant Emeteri genoemd) een beetje in de vergetelheid.
Pas begin 19de eeuw werden de heilige bonenboer en zijn kapel herontdekt. Op 3 maart 1802 vond vanuit Sant Cugat de eerste bedevaart naar de kapel plaats. Daar troffen de Sant Cugatezen vanaf 1830 elk jaar bedevaartgangers die vanaf de andere kant kwamen, uit het toen nog zelfstandige Gràcia. In dit dorp leefde toen de bakker Josep Vidal y Granés, een enorme bewonderaar van Sant Medir. Op een dag beloofde de bakker aan zijn favoriete heilige om een jaarlijkse bedevaart naar diens voormalige woonstee te organiseren. Vidal had echter wel een voorwaarde: Sant Medir moest hem verlossen van de ernstige ziekte waaraan hij leed.
Dat deed de nog immer gehoorzame Medir. En dus ging bakker Vidal op 3 maart 1830 op weg naar de kapel. Om mede-pelgrims te lokken, sloeg hij op een grote trom en strooide hij snoepgoed in het rond. En met succes. Al snel werd deze mix van Sinterklaas en rattenvanger van Hamelen op zijn jaarlijkse pelgrimstocht gevolgd door een flinke stoet mensen.
Het Zoete Feest Tegenwoordig staat het feest van Sant Medir in Gràcia - en in de wijken Sarrià-Sant Gervasi en Sants-Montjuïc - bekend als het Dolçe Fiesta, het Zoete Feest. Het hele jaar wordt er ijverig gespaard door de ongeveer 30 colles (groepen) van de Federació de Colles de Sant Medir . En dat allemaal om op de ochtend van 3 maart duizenden kilo´s snoepgoed te kunnen rondstrooien, voordat ´s middags – alléén bij goed weer - de bedevaartstocht wordt gemaakt naar de kapel van Sant Medir. Waar het ooit allemaal begon met wat bitter smakende tuinbonen.
Hieronder een foto-impressie van het feestje eerder vandaag bij de kapel van Sant Medir: