Posts tonen met het label La Ribera. Alle posts tonen
Posts tonen met het label La Ribera. Alle posts tonen

25-03-2015

Trouwen in de Santa María del Mar? Even geduld s.v.p.

De Santa María del Mar: grootse soberheid, waar ook Antoni Gaudí zich door liet inspireren.

Op 25 maart 1328, vandaaag 685 jaar geleden, begon de bouw van de Barcelona´s mooiste kerk, de Santa María del Mar. Het enorme gebouw was in 1384 al klaar, dankzij de gezamenlijke inspanningen van de bewoners van de La Ribera-buurt: de rijke handelaren en stadsedelen gaven het geld; de vele ambachtlieden die er woonden hun vakkennis en bouwkrachten; de havensjouwers ten slotte haalden de bouwstenen van de Montjuïc, waar koning Pere de Plechtige zijn steengroeve gratis en voor niks had opengesteld.

Het licht van de Middellandse Zee
Gebouwd door het volk was de Santa María ook een godshuis voor het volk: groots, maar niet praalzuchtig.  'Het zal één gemeenschappelijke ruimte zijn voor alle gelovigen, zonder onderscheid, en de enige versiering zal het licht zijn, het licht van de Middellandse Zee’, laat Ildefonso Falcones bouwmeester Berenguer de Montagut zeggen in zijn roman De kathedraal van de zee, waarin de Santa María del Mar het geografisch middelpunt is.

Elf dagen brandde de kerk. Wat niet van steen was ging verloren

Decoraties van latere datum, waaronder een barokaltaar, zijn inmiddels verdwenen. Dat is vooral te danken aan de anarchisten die in 1936, aan het begin van de Spaanse Burgeroorlog, de kerk in de fik staken. Elf dagen lang brandde de kerk. Wat niet van steen was ging verloren.


Spanjaarden hebben niet zoveel meer georganiseerde religie (iets van 15 % ziet regelmatig een kerk van binnen), maar de daaraan verbonden tradities houden velen wel in stand. De  grootste soberheid van de kerk maakt dat ook half- en ongelovigen graag trouwen in de Santa María. Trouwlustigen moeten dan ook minimaal twee jaar geduld hebben.


Veel meer over de wereld van De kathedraal van de zee vind je in de stadsgids Barcelona voor gevorderden. Compleet met wandeling!

Vanaf nu kun je ook de Nederlandstalige wandeltour 'Barcelona en de Spaanse Burgeroorlog' met mij doen. Meer info binnen enkele dagen op mijn toursite Barcelona Revisited.


BCN BITES - kijk voor meer nieuws over Barcelona en Catalonië op onze Facebook pagina!

04-06-2013

Bankieren in Barcelona: in de 14e eeuw levensgevaarlijk

Waar geld is, komen problemen. Combineer geld met geloof en je hebt oorlog. Dus verhuisden de joodse geldwisselaars (canvistes) van het 14e eeuwse Barcelona op last van het stadsbestuur naar een eigen straat, de Canvis Nous. Hun christelijke collegae bleven achter in de Canvis, die vanaf toen Canvis Vell heette. Daar konden ze voortaan elkaar beschuldigen van zwendel. 

Geldwisselaars waren eigenlijk privé-banken. Ze wisselden niet alleen geld, maar  belegden ook voor hun klanten. Omdat christenen van de kerk geen winst mochten maken op geld,  maar wel op arbeid,  gaf de geldwisselaar handelsopdrachten aan kooplieden.  Het in goederen geïnvesteerde geld en een deel van de winst ging naar de geldwisselaar, die vervolgens zijn klant uitbetaalde. 
In feite ging het hier om verkapte leningen, met dit verschil dat het risico voor de geldgever was.  Leed een koopman bijvoorbeeld schipbreuk, dan was de geldgever zijn investering kwijt.

Banca rotta
Jood of niet, een corrupte geldwisselaar werd subiet uit het ambt gezet. Zijn houten wisselbank werd in tweeën gehakt. Banca rotta!  Wie om andere redenen bankroet ging, moest leven op water en brood totdat alle schulden voldaan waren. Een regel die later in de eeuw behoorlijk werd aangescherpt: binnen een jaar betalen, of kop eraf voor de eigen bank. 

De bank van een corrupte geldwisselaar werd in tweeën gehakt
Dat overkwam in 1360 ene Francesc Costellò, die op straat voor zijn kantoor werd onthoofd. In zijn roman De Kathedraal van de Zee beschrijft Ildefonso Falcones de executie als volgt:
“Alle geldwisselaars uit de stad moesten de executie op de voorste rij bijwonen. Arnau [de hoofdfiguur van de roman, en op dat moment geldwisselaar, AvdN] zag hoe Castelló´s hoofd na de trefzekere slag van de beul van zijn romp rolde. Hij had graag, als vele anderen, zijn ogen gesloten, maar kon het niet. Hij moest het zien. Het was een teken dat hij voorzichtig moest zijn, een teken dat hij nooit moest vergeten, zei hij bij zichzelf, terwijl het bloed over het schavot liep.”

Geldwisselaars aan het werk. Alleen wie garant kon staan voor zijn wisselkantoor mocht zijn wisseltafel met een kleed bedekken. Foto boven:  op de hoek van de straten Canvis Nous en Canvis Vell.

Sommige wisselaars hadden minder scrupules. Tegen het eind van de eeuw klaagden meer en meer Barcelonezen over trage terugbetaling van geïnvesteerd geld. Soms betaalden de wisselaars ook uit in de vorm van waardeloze munten in plaats van het goud dat de lener had ingelegd.


Publieke bank

Een oplossing kwam in 1401, door de instelling van de eerste publieke bank van Barcelona. Deze Taula de Canvis i Comuns Dipòsits, gevestigd pal voor de Llotja (handelsbeurs), stond garant voor het geleende geld of kostbaarheden. Bovendien konden de inleggers hun bezittingen elk moment  opeisen. Wel werd het kapitaal uitsluitend gestoken in de stad zelf, leningen aan individuele burgers werden niet verstrekt. Het publieke karakter van de bank was dus betrekkelijk, want beperkt tot mensen mét geld.

De Taula was vooral ook goed voor de stad zelf. Barcelona had na een eeuw vol rampspoed (hongersnoden, pestepidemieën, oorlogen) enorme schulden en dus een schreeuwende behoefte aan kapitaal.
 

Uiteraard – vertel ons anno 2013 wat – bieden huidige resultaten geen enkele garantie voor de toekomst:  in 1468, middenin de Catalaanse burgeroorlog, moest de Taula uitstel van betaling aanvragen.








BCN BITES - kijk voor meer nieuws over Barcelona en Catalonië op onze Facebook pagina!

12-03-2013

Het Picasso Museum in Barcelona bestaat vijftig jaar

Pablo Picasso en Jaume Sabartés - Château Grimaldi, Antibes, 1946


Carrer de Montcada, 1957
Deze week vijftig jaar geleden opende het Picasso Museum zijn deuren in de Barcelonese wijk La Ribera. Locatie was een oud paleis in de Carrer de Montcada. Het museum was het eerste project om nieuw leven te blazen in een wijk die ooit de welvarendste van Barcelona was;  in de paleizen aan die toch zo nauwe straat woonden de happy few, de allerrijkste handelaren, de gildemeesters en de edelen van de stad. 



Tourist spot
Het project is gelukt: wijk, straat en museum (dat inmiddels al vijf paleizen beslaat) behoren tot de populaire tourist spots van de stad

Palau Aguilar op nummer 15 is de plek waar het allemaal begon. Het pand (13e eeuws, ingrijpend verbouwd in de 15e eeuw) was tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw eigendom van de familie Berenguer d'Aguilar. Toen kocht de gemeente Barcelona het paleis, zonder er een bestemming voor te hebben.

Die werd pas in 1960 gevonden, dankzij Jaume Sabartés. Sabartés (1881-1968) was schrijver, beeldhouwer, boezemvriend van Picasso en vanaf 1935 tot zijn dood ook nog eens privésecretaris van het artistieke genie.  Vooral dankzij dat laatste de man een aardige Picassoacollectie opgebouwd. Het ging vooral litho´s - Picasso  had jarenlange de gewoonte om van elk gravure een extra (én gesigneerd) exemplaar aan zijn vriend te schenken.

Malaga
In 1960 doneerde Sabartés, die tobde met zijn gezondheid, zijn collectie boeken rond het thema 'Picasso' aan het stadsmuseum van Malaga, de stad waar de schilder in 1881 was geboren. Ook zijn Picasso-kunstverzameling wilde Sabartés aan het museum schenken. 


“Komt niks van in”, zei Picasso -  tenslotte zijn broodheer. Die boeken, die mocht Malaga hebben, maar de kunst moest naar Barcelona, de stad van zijn tienerjaren (Picasso ging er als 13-jarige wonen) en van zijn vorming als kunstschilder.


Het museum mocht onder geen enkele omstandigheid´ Museo de Picasso  worden genoemd 

De gemeente Barcelona was enthousiast en had ook een locatie voor het cadeautje: Palau Aguilar. Picasso, die de totstandkoming van zijn museum vanuit Parijs nauwkeurig regisseerde, reageerde verheugd op het voorstel.

Minder blij was Franco. De ´Gaudillo´ had al een hekel aan Picasso sinds 1937, het jaar waarin diens anti-oorlog statement Guernica te zien was in het paviljoen van de Republikeinse regering op de Parijse wereldtentoonstelling. Picasco toonde zich in zijn Franco-haat al even standvastig: hij weigerde Spanje te bezoeken zolang de dictator in leven was.

Newsweek
Uiteraard zweeg de Spaanse pers over de perikelen rond het museum. Het buitenlandse journaille niet.  Op 8 april 1963  liet het Amerikaanse tijdschrift Time een anonieme Spaanse advocaat aan het woord. Deze vertelde over de orders
van een Franco-minister  aan José María Porcioles, Barcelona´s burgemeester:  het museum mocht ´onder geen enkele omstandigheid´, ´Museo de Picasso´ worden genoemd. Ook zou het Franco-regime de gemeente  'gesuggereerd´ hebben om consequent naar het gebouw te verwijzen als ´Colección Sabartés´.

Een suggestie die Porcioles en zijn bestuurders gewillig volgden. Toen het museum op 3 maart 1963 opende, stond op het naambordje: ´Colegio Colección Sabartés´.

Dat is sinds lang verholpen. Sabartés zal het niet anders gewild hebben. In het museum dat ooit zijn (achter)naam droeg heeft hij nu een eigen zaal. De gemeente Barcelona eerde hem in 2007 zelfs met een plein. Het Plaça Sabartés bevindt zich tussen de straten Montcada en Flassaders, pal achter het museum van zijn beste vriend.

Voor meer informatie over het jubileum, zie de website  van het Picasso Museum.



BCN BITES - kijk voor meer nieuws over Barcelona, Catalonië en soms zelfs Spanje op onze Facebook pagina!

05-03-2013

Het fotoalbum van Carlos Ruiz Zafón (26)

 `Hij herinnerde zich Martín, die hem had verteld dat hij daar jaren geleden in de buurt had gewoond, in een enorm oud huis in de duistere, nauwe schacht die Calle Flassaders heette, naast chocoladefabriek Mauri.´
 De gevangene van de hemel, pagina 179


BCN BITES - kijk voor meer nieuws over Barcelona, Catalonië en soms zelfs Spanje op onze Facebook pagina!

21-02-2013

Het fotoalbum van Carlos Ruiz Zafón (24)


'Barceló was niet bepaald George Bernard Shaw en hoewel hij zijn pupil niet de welbespraaktheid en esprit van een grande dame had kunnen bijbrengen, hadden zijn inspanningen Bernarda uiteindelijk zo verfijnd dat ze de manieren en spraak van een juffrouw uit de provincie beheerste. Ze was achtentwintig, maar ik vond altijd dat ze tien jaar extra meetorste, al was het maar door de blik in haar ogen. Ze woonde vlijtig missen bij en was de Maagd van Lourdes op het delirische af toegewijd. Iedere ochtend ging ze naar de mis van acht uur in de kerk van Santa Maria del Mar en ze biechtte driemaal per week, minstens.'
De schaduw van de wind, pagina 51.



 

Al de bijzondere plekken uit het boek van Ruiz Zafón in het echt zien? Ga mee met onze  De schaduw van de wind wandeltour!