30-07-2013

Nieuw monument in Barcelona: De soldaat die met de ogen dicht schiet


Reluctant Warriors heet het boek van historicus James Matthews uit 2012 over de Spaanse Burgeroorlog. De recensie in El País van de net verschenen Spaanse vertaling maakt nieuwsgierig. Matthews beschrijft het conflict namelijk uit een ongebruikelijk perspectief: dat van degenen die gedwongen moesten vechten. 


Voor Orwell-fans en anderen die denken dat de Spaanse Burgeroorlog vooral werd uitgevochten door vrijwilligers eerst wat cijfers:
De Republiek riep in de loop van de oorlog 1,7 miljoen mannen onder de wapens, Franco dwong ongeveer 1,2 miljoen landgenoten tot vechten. Ter vergelijking: in de eerste maanden van de oorlog vochten 120.000 Republikeinse vrijwilligers (militieleden en soldaten) aan het front; aan Franco´s zijde streden 100.000 soldaten vrijwillig. Madrid had in 1936 anderhalf miljoen inwoners: nauwelijks 10.000 Madrilenen vertrokken uit eigen beweging naar het front. In Barcelona (circa één miljoen inwoners) deden 5000 inwoners van de stad hetzelfde. 



Barcelonese vrijwilligers vertrekken naar het front in Aragón.

De getallen voor Madrid en Barcelona heb ik uit een indrukwekkende column van Antonio Muñoz Molina. De Spaanse schrijver las het boek van Matthews vorig jaar. De leeservaring bracht hem naar zijn eigen herinneringen aan reclutas forzosos, dienstplichtigen.


'Iemand die mij niets had gedaan, waarom zou ik die willen doden?'

Muñoz Molina groeide op in Úbeda, in de Andalusische provincie Jaén. Als kind hoorde hij hoe de oudere mannen van Úbeda terwijl ze op het land werkten herinneringen ophaalden aan de oorlog:
 ‘Allemaal waren ze soldaat geweest in het republikeinse leger, niet uit keuze, niet uit strijdbaarheid, maar gedwongen, door het lot, omdat na de bloedige splitsing van ons land onze provincie viel onder het gebied dat werd gecontroleerd door de legitieme regering . […] Ze spraken over luizen, honger, gebrek aan snuiftabak, de kou. Ze spraken over de dwaasheid van oorlog met een sarcasme zeer vergelijkbaar met dat van de soldaat Schwejk. […] Bijna allemaal vertelden ze dat ze altijd geschoten hadden met hun ogen dicht. Ze zeiden het met een totale vanzelfsprekendheid, alsof dit het enige redelijke gedrag was. “Iemand tegenover mij, die ik niet kende en die mij niets had gedaan, waarom zou ik die willen doden?”’ 



Plein van de Onbekende Militie
Op een dag in 1937 greep in Barcelona iemand een pot teer en schreef op de Santa Maria del Pi: 'Plaça del Milicià Desconegut', Plein van de Onbekende Militieman.


Het anonieme eerbetoon was tijdens de Franco-dictatuur afgedekt met een plaat. Het plein heette weer net als vroeger (en nu) Plaça de Sant Josep Oriol. Na de dood van de dictator in 1975 werd het afdeksel verwijderd. De letters waren na al die jaren sterk vervaagd. Pas sinds een restauratie van de Santa Maria del Pi een paar jaar geleden hebben ze weer hun oude kracht.


Toch worden ze door verreweg de meeste toeristen niet gezien.  Maar nu heb ik, dankzij Antonio Muñoz Molina, een idee om ze de ogen te openen: een tweede monument, pal vóór  de 'Onbekende Militie´. Een beeld van een man, te opmerkelijk om blind voorbij te lopen.


 'De soldaat die met de ogen dicht schiet'
 

James Matthews. Reluctant Warriors: Republican Popular Army and Nationalist Army Conscripts in the Spanish Civil War, 1936-1939 (Oxford Historical Monographs, 2012).



BCN BITES - kijk voor meer nieuws over Barcelona en Catalonië op onze Facebook pagina!

26-07-2013

Bommen op Barcelona - de lelijke oorlog en de mooie foto

De lelijke oorlog



De dag en de feiten
Op 19 februari 1938 tussen 12.10 uur en 14. 15 uur bombardeert de Aviazone Legionaria van Musssolini de Eixample en de haven van Barcelona. De 27 bommen veroorzaken 163 doden en 196 gewonden. De vader van Alfons Cànovas sterft terwijl hij aan het werk is in zijn groetentuin vlakbij het Palau de Mar.

Het verhaal
Alfons Cànovas (95):  "Ik was aan het front toen mijn vader stief. Toevallig ontmoeten de drie oudste broers elkaar die dag in Alfambra, Teruel; de oudste was oorlogscommissaris en hij vertelde ons dat hij zich zorgen maakte omdat er nieuws was over een zwaar bombardement op Barcelona, met veel schade in Barceloneta. Het duurde zeven dagen voordat we wisten dat onze vader tijdens het bombardement was gedood."


Italiaanse bommenwerper vanaf Majorca op weg naar Barcelona






"Voor mijn vader was naar Spanje gaan een avontuur"

 















Luigi Costa (1917-2010) was een van de piloten die dag in januari 1938. Zijn dochter Rosina: “Hij was jong, negentien, voor hem was naar Spanje gaan een avontuur.”

Deze week vroeg Rosina Costa namens haar vader vergeving aan Alfons Cànovas. Cànovas: “We vormen una bella stampa, een mooie plaat. Ik koester geen wrok”

De bella stampa:

http://bit.ly/1bOH66J



bron citaten: El País, 25 juli 2013


27-06-2013

De staart van de graaf van Barcelona


Een belangrijke figuur voor het huis van Barcelona was graaf Ramón Berenguer III (1082-1131). ‘De Grote’ werd hij genoemd. Een verwijzing naar de tactische kwaliteiten van de man; als militair, maar vooral als huwelijkstrateeg. Ramón weet dankzij drie goed getimede huwelijken het bezit van het huis van Barcelona flink uit te breiden.

Ook zijn kinderen zet de graaf in voor de goede zaak. Dochter Berenguela wordt uitgehuwelijkt aan Alfons VII van het koninkrijk Castilië. Dat levert een machtige bondgenoot tegen eventuele aanvalsplannen van een andere koning, Alfons I van Aragón, niet voor niets el Batallador (de Strijder) genoemd.

Armenziekenhuis

Op 19 juli 1131 sterft Ramón Berenguer, al enige tijd ziek, in het armenziekenhuis van Barcelona, waarheen hij op eigen verzoek is vervoerd. Het is kort na zijn laatste strategische meesterzet: het lidmaatschap van de Orde van de Tempeliers. Daarmee is het huis van Barcelona zeker van de steun van deze invloedrijke monnik-strijders. Belangrijk, weet Ramón, voor een soepele machtoverdracht aan zijn oudste zoon, Ramón Berenguer IV. En essentieel voor het slagen van diens veldtochten tegen de Moren, zo zou later die eeuw blijken.

Ruiterbeeld
Zo´n groot vaderlander verdient een standbeeld, dacht de gemeente Barcelona eeuwen later en vroeg de beeldhouwer Josep Llimona om een beeld van de koene Ramón. Het resultaat, een ruiterbeeld op ware grootte, oogstte veel lof en won zelfs een prijs tijdens de Wereldtentoonstelling van 1888.

Toch verdween de gelauwerde Ramón met paard en al daarna in een kast. In 1950 en vele kasten verder kreeg de sculptuur eindelijk een vaste standplaats: het gloednieuwe Plaça Ramón Berenguer III. 


Nu was het beeld gemaakt van was en dus kwetsbaar. Het bewijs daarvoor was er zelfs al. De staart van het paard was afgebroken, waarschijnlijk tijdens een van de vele tussentijdse verhuizingen. Bovendien was het aanhangsel verdwenen.

Barcelona´s vaste beeldenkopiist Frederic Marès (altijd en overal inzetbaar) kreeg de opdracht een bronzen kopie van het beeld te maken. En voor het paard een nieuwe staart graag!


Met de eerste taak wist Marès wel raad. Het resultaat van de tweede is minder gelukkig.

Reuzenzwabber
Dat vonden ook vele Barcelonezen toen het beeld werd onthuld bij de inhuldiging van het plein, op 11 maart 1950. De paardenstaart bleek overdreven groot en leek verdacht veel op 

een reuzenzwabber. Polemiek alom. Ramón keek ondertussen statig voor zich uit, in zalige onwetendheid van het kleine drama achter zijn rug.

De paardenstaart leek verdacht veel op een reuzenzwabber.

Dat doet hij ruim zestig jaar later nog steeds. Ook de blik van de meeste toeristen op en rond plein is elders gericht, naar het visuele geweld van de Romeinse muren. En vooral naar het daarop gebouwde middeleeuwse paleis. Ooit de woonplek van veel navolgers van Ramón Berenguer III, de grote graaf van Barcelona.





BCN BITES - kijk voor meer nieuws over Barcelona en Catalonië op onze Facebook pagina!

06-06-2013

De mooiste dans - volgens de dichter


La sardana és la dansa més bella de totes les danses que es fan i es desfan, dichtte Joan Maragall in 1894.

De sardana de mooiste dans van alle dansen – bestaande en niet-bestaande? Dit moet een dichterlijke vrijheid van Joan zijn. Er zijn mooiere dansen. En zeker dansen die opwindender zijn, al heeft zo´n kringdans wel altijd iets gezelligs.

Op het moment dat Maragall zijn ode schreef, was de sardana hard op weg de nationale dans van Catalonië te worden. De opmars was begonnen in Barcelona, toen daar een sardana-ensemble met groot succes optrad tijdens de Mercè-feesten van 1870. Waarna de sardanakoorts in heel Catalonië toesloeg. Het was de tijd van opkomend nationalisme en zo´n kringdans was  -  en is - een uitstekende manier om op vreedzame wijze uitdrukking te geven aan het Catalaanse wij-gevoel.

Rudimentair en monotoon
Het sardana-ensemble (cobla geheten) dat furore maakte in Barcelona kwam uit de Empordà. Geen toeval, want deze regio was de bakermat van de moderne sardana, met Figueres als episch centrum.

De ‘oude’ sardana was niet veel meer dan een dansje voor plattelandsfeesten. Eigenlijk ging het om een overblijfsel van de contrapas, een zéér ingetogen reidans voor mannen. De contrapas raakte in de loop van de 19e eeuw in onbruik, behalve het slotonderdeel, een kringdans met een (iets) wilder karakter. Deze sardana corta was rudimentair en monotoon, met een vaste melodie van slechts 32 maten voor een trio-bezetting. Twee minuten bescheiden pret en klaar. 


De sardana corta was rudimentair en monotoon. Twee minuten bescheiden pret en klaar
 
Bijbel van de sardana
Daar moet méér mee te doen zijn, vermoedde in Figueres componist en musicus Pep Ventura (1817-1875).  De man wist het zeker toen hij rond 1840 in Perpignan een nieuw soort hobo ontdekte, de tenora. Ventura zag gelijk de potentie van het instrument en maakte het vervolgens tot hart van misschien wel zijn belangrijkste schepping, de moderne cobla.

Een cobla in 1912. Foto boven: sardanas in Park Güell, begin vorige eeuw.


Zo´n elfkoppig (twaalf instrumenten) orkest kan tegenwoordig kiezen uit de ruim driehonderd sardanes llargues die Ventura tijdens zijn leven componeerde. De bijbehorende korte en lange pasjes komen van diens streekgenoot, choreograaf Miquel Pardas (1818-1872). Pardas’ instructieboek Método per apendre de ballar sardanas llargues (1850) is nog steeds de Bijbel van iedere rechtgeaarde sardana-danser. Bestudeer het boek grondig en je danst de sardana, in Parda´s eigen woorden, “zelfverzekerd, zonder angst voor schut te staan voor de enorme menigten die tegenwoordig onze pleinen vullen”.

Zelf de sardana dansen? Dat kan in Barcelona elke zondag, aanvang 12.00 uur vóór de kathedraal. Geen angst: kijk eerst enige tijd toe en ontdek dat ook veel Catalanen Pardas’ ‘Método’ niet kennen!





BCN BITES - kijk voor meer nieuws over Barcelona en Catalonië op onze Facebook pagina!

04-06-2013

Bankieren in Barcelona: in de 14e eeuw levensgevaarlijk

Waar geld is, komen problemen. Combineer geld met geloof en je hebt oorlog. Dus verhuisden de joodse geldwisselaars (canvistes) van het 14e eeuwse Barcelona op last van het stadsbestuur naar een eigen straat, de Canvis Nous. Hun christelijke collegae bleven achter in de Canvis, die vanaf toen Canvis Vell heette. Daar konden ze voortaan elkaar beschuldigen van zwendel. 

Geldwisselaars waren eigenlijk privé-banken. Ze wisselden niet alleen geld, maar  belegden ook voor hun klanten. Omdat christenen van de kerk geen winst mochten maken op geld,  maar wel op arbeid,  gaf de geldwisselaar handelsopdrachten aan kooplieden.  Het in goederen geïnvesteerde geld en een deel van de winst ging naar de geldwisselaar, die vervolgens zijn klant uitbetaalde. 
In feite ging het hier om verkapte leningen, met dit verschil dat het risico voor de geldgever was.  Leed een koopman bijvoorbeeld schipbreuk, dan was de geldgever zijn investering kwijt.

Banca rotta
Jood of niet, een corrupte geldwisselaar werd subiet uit het ambt gezet. Zijn houten wisselbank werd in tweeën gehakt. Banca rotta!  Wie om andere redenen bankroet ging, moest leven op water en brood totdat alle schulden voldaan waren. Een regel die later in de eeuw behoorlijk werd aangescherpt: binnen een jaar betalen, of kop eraf voor de eigen bank. 

De bank van een corrupte geldwisselaar werd in tweeën gehakt
Dat overkwam in 1360 ene Francesc Costellò, die op straat voor zijn kantoor werd onthoofd. In zijn roman De Kathedraal van de Zee beschrijft Ildefonso Falcones de executie als volgt:
“Alle geldwisselaars uit de stad moesten de executie op de voorste rij bijwonen. Arnau [de hoofdfiguur van de roman, en op dat moment geldwisselaar, AvdN] zag hoe Castelló´s hoofd na de trefzekere slag van de beul van zijn romp rolde. Hij had graag, als vele anderen, zijn ogen gesloten, maar kon het niet. Hij moest het zien. Het was een teken dat hij voorzichtig moest zijn, een teken dat hij nooit moest vergeten, zei hij bij zichzelf, terwijl het bloed over het schavot liep.”

Geldwisselaars aan het werk. Alleen wie garant kon staan voor zijn wisselkantoor mocht zijn wisseltafel met een kleed bedekken. Foto boven:  op de hoek van de straten Canvis Nous en Canvis Vell.

Sommige wisselaars hadden minder scrupules. Tegen het eind van de eeuw klaagden meer en meer Barcelonezen over trage terugbetaling van geïnvesteerd geld. Soms betaalden de wisselaars ook uit in de vorm van waardeloze munten in plaats van het goud dat de lener had ingelegd.


Publieke bank

Een oplossing kwam in 1401, door de instelling van de eerste publieke bank van Barcelona. Deze Taula de Canvis i Comuns Dipòsits, gevestigd pal voor de Llotja (handelsbeurs), stond garant voor het geleende geld of kostbaarheden. Bovendien konden de inleggers hun bezittingen elk moment  opeisen. Wel werd het kapitaal uitsluitend gestoken in de stad zelf, leningen aan individuele burgers werden niet verstrekt. Het publieke karakter van de bank was dus betrekkelijk, want beperkt tot mensen mét geld.

De Taula was vooral ook goed voor de stad zelf. Barcelona had na een eeuw vol rampspoed (hongersnoden, pestepidemieën, oorlogen) enorme schulden en dus een schreeuwende behoefte aan kapitaal.
 

Uiteraard – vertel ons anno 2013 wat – bieden huidige resultaten geen enkele garantie voor de toekomst:  in 1468, middenin de Catalaanse burgeroorlog, moest de Taula uitstel van betaling aanvragen.








BCN BITES - kijk voor meer nieuws over Barcelona en Catalonië op onze Facebook pagina!

30-05-2013

Blote schouders en avondklokken - het rosse leven in middeleeuws Barcelona



Hoe in Barcelona het verbod (sinds 1 augustus 2012) op straatprostitutie werkt? Neem plaats op een van de terrasjes op het plein aan de carrer d’en Robadors (El Raval) en je bent getuige van een vreemdsoortig gezelschapsspel voor een dozijn prostituees en twee politieagenten. De agenten staan op de uitkijk, de dames wandelen gezellig kletsend door de straat of nemen een drankje in een van de kroegen. Om de zoveel minuten blaast de hermandad de aftocht, en kunnen de dames snel en effectief hun zaken doen. Waarna het weer de beurt is van de agenten.

Noodzakelijk kwaad
Prostitutie is in Barcelona nog steeds een noodzakelijk kwaad. Net als in 1339, het jaar van de oudste bekende bron over prostitutie in de Robadors straat. “Zij die regeren moeten redelijkerwijs enige kwaden tolereren, om goede dingen niet te belemmeren en om ergere kwaden te voorkomen”, schreef de middeleeuwse kerkvader Thomas van Aquino. (Voor de duidelijkheid: de ergere kwaden waren sodomie, overspel, verkrachting en masturbatie.) 

Thomas´ voorganger Kerkvader Augustinus wist het al in de vierde eeuw: “Scheidt de prostituees van de menselijke aangelegenheden en zij vervuilen alles met lust.” 


Augustinus’ wijze woorden keren terug in Lo Crestià (1379-1392), de invloedrijke encyclopedie die de franciscaner monnik Francesc Eximenis schreef in opdracht van koning Pere III. Wat Eximenis níet wilde, was dat prostituees zich mengden onder eerbare vrouwen. Feitelijk  was dit inBarcelona al sinds 1340 geregeld, met een verbod voor prostituees op het dragen van een mantel onder werktijd; hun blote schouders maakten hen zo onmiddellijk herkenbaar. Wie zich niet aan de regel hield kreeg een geldboete of verdween voor één dag in de cel.


 Om de mannen minder in verleiding te brengen, werden de prostituees tijdelijk verbannen naar het klooster
Arbeidstijdverkorting
Behalve op straat werkten prostituees in het 14e eeuwse Barcelona in hostals of gewoon thuis. Al had dat zijn beperkingen. Zo kregen de prostituees in de carrer Viladalls (de huidige carrer del Vidre) al in het begin van de eeuw een regel opgelegd door het stadsbestuur ( de Consell de Cent), die in feite een arbeidstijdverkorting moet hebben betekend. Voortaan moesten hun deuren dicht na het luiden van de seny de lladre (letterlijk: het signaal van de dief), de avondklok die het sluiten van de stadspoorten aankondigde. Bovendien was het voortaan verboden ´s avonds kaarsen te ontsteken. ‘Ik zet een kaars voor mijn raam vannacht, zodat je weet dat ik op je wacht.’ Nee, dus.

Verbannen naar het klooster
Alsof het seksleven van de middeleeuwer al geen obstakels genoeg kende. Of liever: onderbrekingen, door de kerk opgelegd. Door de talrijke verplicht seksloze dagen (feestdagen, vastendagen et cetera) was één per week legaal plezier in bed mogelijk. 


Gemiddeld dan. Want er waren ook seksloze tijden als de Heilige Week. Om de mannen van Barcelona dan minder in verleiding te brengen werden de prostituees tijdelijk verbannen naar het Santa Clara klooster. 
´s Ochtends moesten ze opdraven voor de mis. De rest van de dag probeerden de monniken hun gijzelaar-gasten te overtuigen van de voordelen van een celibatair leven boven een bestaan als prostituee. Ondertussen betaalde de Consell de Cent de dames wél een vergoeding voor gederfde inkomsten. Het benodigde geld daarvoor kwam uit de verhuur van de publieke molens aan de Basses de Sant Pere. 

Hostalers de bordell

Om de zaken beter te kunnen controleren – en om de extra inkomsten –begon het stadsbestuur ergens halverwege de eeuw met de eerste officiële bordelen – het oudste zat waarschijnlijk in carrer Viladalls. Compleet ingerichte panden waren het, voorzien van werkkamers, keukens en rustruimtes. Ieder die zin had in het vak van bordeelhouder (en geld had) kon zo´n gemeentelijk bordeel huren. De hostalers de bordell regelden het interne ‘verkeer`, hielden de boel schoon en voedden de prostituees. Voor hun diensten incasseerden de ondernemers uiteraard een deel van de inkomsten van hun ‘onderhuurders’ – een ander deel ging naar schatkist van de stad. Noodzakelijk kwaad moet je koesteren, zoveel is duidelijk.
 

Hoeren wel, pooiers niet
Voor pooiers was geen plaats in het middeleeuwse Barcelona. Wie betrapt werd kreeg één dag om te vertrekken op straffe van geseling tijdens een rondritje door de stad op de rug van een ezel. Kennelijk maakte het vooruitzicht op een gruwelijke sightseeing tour weinig indruk, gezien door de tijd heen telkens terugkerend verbod op de verhuur van kleding en beddengoed aan prostituees


Werd het beroep afgewezen, dan volgde verbanning voor één tot vijftig jaar
  
Aan het einde van de 14e eeuw werd het anti-pooierbeleid in Barcelona dan ook strenger. Voortaan maakten de stadsomroepers twee keer per jaar de namen van pooiers openbaar. Dezen konden vervolgens kiezen tussen binnen tien dagen hun biezen pakken of in beroep gaan en beloven zich aan de wet te houden. Mogelijkheid twee was niet zonder risico: werd een beroep afgewezen, dan volgde verbanning voor één tot vijftig jaar. (In de periode 1401-1460 overkwam dit 642 pooiers; 562 mannen en 79 vrouwen.)
Wie zich tijdens zijn of haar ballingschap in de stad vertoonde, belandde voor tien jaar op de galeien van Sardinië. Hardnekkigen die na een Italiaans verblijf nog steeds het pooiervak niet konden loslaten, eindigden aan een van de stadsgalgen. 


Deze foto en foto boven: Carrer d'en Robadors, El Raval.


De vloek van de schipbreukeling
Een van de meest fameuze bordelen van Barcelona was gevestigd op de hoek van de carrer dels Vigatans en de carrer de Mirallers in de wijk La Ribera. De bloeiende nering werd geleid door de weduwe van een scheepskapitein en haar zeven dochters. Een onderneming, zo wil de legende, tegen wil en dank, want afgedwongen door een vloek van een schipbreukeling die op volle zee schandelijk in de steek was gelaten door de toen nog springlevende zeeman. Veel waarschijnlijker is dat het in werkelijkheid de kapitein zelf was die voorgoed in de golven verdween. Waarop het overlevingsinstinct van zijn nazaten ontwaakte en de ganse familie in het roze leven dook.


Het huis waarin het bordeel was gevestigd werd in 1983 afgebroken. Op de oude plek verrees een nieuw pand. Op aandringen van nostalgische buurtbewoners werd daarop het vrouwenhoofd bevestigd dat eerder de bordeelgevel sierde. Het gebruik van dergelijke carasses (maskers) door bordelen begon  na de Oorlog van de Maaiers in 1640. De vele Spaanse soldaten in de stad konden op die manier gemakkelijk hun ‘weg´ vinden. Al langer waren bordelen verplicht hun voorpui rood te verven en het huisnummer op groot formaat te dragen. Vergissingen over de aard van de onderneming waren daardoor uitgesloten, of je moest blind zijn, letterlijk of figuurlijk.



BCN BITES - kijk voor meer nieuws over Barcelona en Catalonië op onze Facebook pagina!

18-05-2013

Het fotoalbum van Carlos Ruiz Zafón (27)

'Can Lluís was gehuisvest op nummer 49 van de Calle de la Cera, op de drempel van de Raval. Achter de bescheiden gevel, gedrenkt in de mysteries van het oude Barcelona, bood Can Lluís een uitstekende keuken en een voorbeeldige bediening tegen een prijs die zelfs Fermín en ik ons konden veroorloven. Op doordeweekse avaonden trok het een mengeling van klanten aan, met mensen uit de wereld van het theater en de  letteren, en andere figuren van zowel hoog als laag allooi.'
De gevangene van de hemel, pagina 64

 
BCN BITES - kijk voor meer nieuws over Barcelona en Catalonië op onze Facebook pagina!

15-05-2013

Het vuur van Carmen Amaya

Foto: Julio Ubiña


De misschien wel mooiste foto lijkt op het eerste gezicht de ultieme verstilling. Maar wie  beter kijkt ziet dat die samengevouwen handen elk moment kunnen openbreken. 

Carmen Amaya´s  vuur brandde tot over de grenzen van de dood.


Carmen Amaya 1963 – Fotografías de Colita y Julia Ubiña heet de foto-expositie in het Palau de la Virreina. Twee zalen vol krachtige, maar stille beelden uit het laatste levensjaar van volgens velen een van de grootste danseressen ooit.

Het hoogtepunt van de tentoonstelling vind je dan ook in een smalle tussenruimte zonder foto´s. Daar komt de danseres tot leven,  in (fragmenten uit) haar audiovisuele testament Los Tarantos, vlak voor haar dood opgenomen.  Wie geen gat in zijn ziel blíjft kijken en luisteren, gevangen door het vuur van Carmen Amaya.

Los Tarantos van regisseur Francisco Rovira Beleta kreeg in 1963 een Oscar-nominatie voor de beste buitenlandse film van dat jaar.  Op woensdag  12 juni is er een eenmalige vertoning in het Palau de La Virreina. Aanvang: 18.00 uur.
Hieronder een fragment met Carmen Amaya:





Het Carmen Amaya jaar
Carmen Amaya (Barcelona 1913 - Begur 1963), volgens velen een van de grootste danseressen ooit, stierf vijftig jaar geleden. Ter gelegenheid daarvan zijn in Barcelona het hele jaar exposities, voorstellingen en lezingen over de flamenco en de zigeunercultuur in Catalonië. Binnenkort meer hierover op deze blog.

De foto-expositie in het Palau de la Virreina duurt nog t/m 7 juni en is gratis toegankelijk. Dinsdag t/m zondag en feestdagen, 12.00-20.00 uur. La Rambla 99. Gesloten op 26 t/m 28 juni. www.bcn.cat/lavirreina



BCN BITES - kijk voor meer nieuws over Barcelona en Catalonië op onze Facebook pagina!