Posts tonen met het label nationalisme. Spaanse Burgeroorlog. Alle posts tonen
Posts tonen met het label nationalisme. Spaanse Burgeroorlog. Alle posts tonen

19-07-2016

De coup van 1936 in Barcelona - verslag van ooggetuige Albert Helman (2)

De Surinaamse schrijver Albert Helman woonde in Barcelona tijdens de gebeurtenissen van juli 1936. Helman schreef over de Spaanse Burgeroorlog  reportages voor meerdere Nederlandse kranten en tijdschriften. Een aantal werd in 1937 gebundeld en uitgebracht onder de titel De Sfinx van Spanje.  Vandaag deel 2 van zijn ooggetuigeverslag: de gevechten  van 19 en 20 juli.

De  volgende morgen in alle vroegte werd ik gewekt door schoten. Geïsoleerde
knallen en het doffe dreunen van kanonnen in de verte. Daartussen gaapte een doodse
stilte. Geen tram ging voorbij, geen auto. Ik wist uit ervaring wat deze stilte betekende:
Algemene staking. Juanito had dus toch gelijk gehad... Ik snelde de straat op.
Het werd een gedenkwaardige Zondag, een van de drie, vier dagen die een mens
nooit meer vergeet.
Het Plaça de Catalunya, 20 juli 1936.

Daar wij aan de rand van de stad woonden, waren wij volkomen afgesneden. Geen
nieuws drong tot ons door, er viel niet aan concrete berichten te komen. Maar het
dreunen van de kanonnen zei genoeg.
Het werd een gedenkwaardige Zondag, een van de drie, vier dagen die een mens nooit meer vergeet

Alvorens de stad in te gaan, klommen wij op een van de heuvels die naar de
Tibidabo omhoogleiden, en van daar uit konden wij geheel de uitgestrekte stad
overzien. Verscheidene vliegtuigen cirkelden onheilspellend boven de centrale wijken
en rondom het fort Montjuich dat de haven beheerst. Dikke rookpluimen stegen van
verschillende punten op. Brandende kerken! Brandende kloosters! Dikwijls waren
gehele stadswijken door de rook verhuld.
Het Capucijner-convent in het district Sarrià, 19 juli 1936.


Bijwijlen werd zo intensief geschoten, dat er geen twijfel aan kon bestaan of er
werden echte veldslagen geleverd. Het was aangrijpend in de starre, blauwe, van
brandlucht bezwangerde zondagmorgen. De straten beneden ons waren uitgestorven.
Slechts op de heuvel zaten hier en daar nog andere mensen met angstige gezichten
omlaag te staren naar de dreunende stad.


Straatbeeld  in het district Sant Andreu, 19 juli 1936.

Toen wij de heuvel weer afklommen, wisten wij één ding met zekerheid: een tocht
door de stad zou levensgevaarlijk zijn. Maar de onwetendheid, het isolement was
ondraaglijk. Waar was Juanito? Wat deden de overige vrienden en kameraden? Wij
besloten een voorzichtige verkenningstocht te beginnen; hoe hadden wij zo dom
kunnen zijn die nacht naar huis te gaan. Allen hadden het geweten, waren er bijtijds
bij geweest...

Slechts zeer weinig mensen kwamen wij tegen op straat. Haastig en schuw, met
sombere gezichten. Op de kleine Plaza, een kwartier van onze woning verwijderd,
vonden wij enige mannen bijeen op het terras van een klein café, dat maar half
geopend was. De meeste ijzeren rolluiken waren nog neergelaten. Met hun gedempte
stemmen zaten de mannen druk te redeneren. Wij zetten ons in hun buurt om enig
nieuws te kunnen opvangen, doch nadat zij ons wantrouwig van terzijde hadden
aangezien, vervolgden zij met nòg zachtere stem hun gesprek.

De kellner die ons bediende, was hermetisch en afgetrokken. ‘Ik weet van niets.’
zei hij. ‘Er wordt geschoten. Waarschijnlijk een militaire opstand... Iedereen had het
wel kunnen voorspellen dat...’
Hij voltooide zijn zin niet. Er was een plotseling tumult, een auto suisde over het
pleintje en verdween in een andere straat. Op de rugzijde stond met grote ruwe
krijtletters: ‘C.N.T.’ geschreven.
Wat betekende dat? Vlucht? Occupatie?



Een tweede auto kwam aangesuisd. Hij hield midden op het plein stil. Aan alle
kanten loerden geweerlopen naar buiten. Aan alle kanten was het opschrift ‘C.N.T.’
aangebracht. Uit de auto kwamen een man en een vrouw; de overigen bleven zitten,
en spiedden onophoudelijk om zich heen. De man richtte een revolver op onze kleine
groep en riep kort en scherp: ‘Manos arriba!’ (handen omhoog!). De vrouw trad op
ons toe. Zij zwaaide in haar rechterhand een grote hamer. Nooit zal ik het gezicht
van deze jonge arbeidster vergeten. Het was als droeg ze slechts bij toeval haar ruw
zwart kleed. Haar gezicht had een harde, vastberaden uitdrukking. Zij richtte een
vraag die ik niet verstaan kon aan de mannen die met opgeheven handen naar haar toe liepen. 


Thans scheen ook de Sagrada Familia rook uit te slaan, deze vreselijke stenen sigarenkoker van Gaudí

Dan een korte woordenwisseling tussen haar en de inzittenden van de auto, die met dreigende gezichten naar ons keken. En terwijl wij langzaam de handen lieten zakken, zette zich de auto met de revolutionairen weer in beweging. Hij maakte voorzichtig een toer rondom het gehele plein, en verdween dan even plots als hij gekomen was.
Gewapende arbeiders... dat was dus de Revolutie...

Wij stonden op met kloppende harten, konden niet meer drinken van de emotie.
En wij hadden ook geen lust een tweede maal in deze pijnlijke situatie te geraken,
voor het proletariaat waartoe wij zelf behoorden ‘handen omhoog’ te moeten staan.
Als stonden wij aan de andere zijde...
Barricades in Gràca.

Tegelijk met ons verlieten ook de andere lieden het café, en de bezitter liet nu het
laatste rolluik naar beneden ratelen. Het schieten was weer luider geworden, de straten
waren volkomen leeg. Van welke hoek zouden de verdwaalde kogels komen? In
welke straat zou ons plotseling de eerste charge verrassen?

Onze woning lag nog als een veilige burcht tegen zijn heuvelflank. Maar het was
een onrustige nacht die wij er doorbrachten, want er werd nu schier ononderbroken
geschoten, ofschoon het niet zo luid aandeed als overdag. 

20 juli
Maandagochtend was despanning niet meer uit te houden. Het schieten in de nabije verte duurde voort, envan onze heuvel uit zagen wij steeds meer gebouwen in brand. Thans scheen ook deSagrada Familia rook uit te slaan, deze vreselijke stenen sigarenkoker van Gaudí, waarop de Catalanen zo trots zijn, en die eeuwig een moderne ruïne zal blijven,
omdat de ondernemers geen geld meer hebben en wachten moeten totdat de armen
genoeg geschonken hebben om weer verder aan dit monument van wansmaak te
kunnen bouwen.
De Sagrada Família, 20 juli 1936.

 Een steeds dikkere rook steeg op van de voet der torens; het brandde
al urenlang, en een rooknevel hing over de gehele wijk, een uitgesproken
arbeiderswijk. De kerk van Bonanova, vlak bij ons, brandde reeds sinds gisteren; een arbeider op de heuvel enkele huizen daar vandaan woonde, vertelde ons, dat men er wapens en munitie had gevonden.
Alles had ik eerder verwacht, dan dat de kerken tot arsenalen, forten en kazernes zouden dienen, en de kloosters, - zelfs vrouwenkloosters, - tot hoofdkwartieren van de militairen. Toch bleek de waarheid hiervan al aanstonds bij het bezoeken van die
wijken, waaruit de gevechten reeds waren weggeluwd om op andere punten te worden voortgezet. Daar stonden de ooggetuigen en de bezoekers in kleine groepjes bijeen,
en de eersten wezen precies aan, hoe de machinegeweren op de torens en de daken van de kerken opgesteld waren. Zij wezen ons de gaten in de tegenoverliggende muren, die alleen van die punten uit hadden kunnen ontstaan.
De Rambla, 19 juli 1936.

Op de Rambla, een der drukste handelsstraten van de stad, werden de civiele voorbijgangers regelrecht onder vuur genomen van een kerk uit, die zoals kort daarop bleek, door middel vaneen geheime gang met een kantoorgebouw daarnaast verbonden was. De aanval bleek zorgvuldig voorbereid.

Het rechte van wat er gebeurde kwamen wij nog altijd niet te weten. De enkele
mensen die wij spraken, waren er zelf niet achter. Ieder zag slechts het accidentele
van bepaalde straatgevechten, bepaalde overwinningen. Maar omtrent de politieke
betekenis die dit alles bezat, tastten wij nog volkomen in het duister. Die was niet te
overzien.

Des avonds gingen wij wederom naar onze Plaza, die ditmaal drukker bevolkt
bleek. Een troep jonge arbeiders stond er opgewonden te debatteren. Een paar hielden
het blad van een krant in de hand, en in groepjes stonden de anderen er omheen om
mee te kunnen lezen. Wij drongen ertussen, er was eindelijk nieuws!
Het was de ‘Solidaridad Obrera’, het orgaan van de anarchisten. Wij lazen slechts
de opschriften, om in het halfdonker zo snel mogelijk alles te kunnen begrijpen:
‘Arbeiders, bewapent u. Proletarische broeders, trekt als één man op ten oorl... De
verraders, generaal Goded met vier van zijn medeplichtigen, gevangen genomen. Te wapen, kameraden! Ieder melde zich aan bij zijn syndicaat om wapens en munitie te ontvangen. Proletariaat van Catalonië, wij zullen gemeenschappelijk de fascistische rebellen verslaan!’
Juichende militieleden voor het Catalaanse regeringspaleis aan het Plaça de Sant Jaume, 20 juli 1936.

Het blad werd ons uit de handen getrokken, maar wij hadden genoeg gezien.
Plotseling raasde een vrachtauto op ons toe, vol bewapende arbeiders. Maar niemand
op de Plaza was meer bang, het waren ‘de onzen’ die immers de macht in handen
hadden. Men stormde om de vrachtauto heen. - ‘Salud, camaradas! Hebben jullie
kranten?’
Neen, ze hadden er geen. Een korte uitwisseling van indrukken volgde, en de auto
raasde verder. Er kwam er wéér een. Ditmaal vol met blauwe uniformen. Guardia
de Asalto, de spaanse stor-politie. De wagen hield stil, en ik kon nauwelijks mijn
ogen geloven: zij hieven de gebalde vuist op, en groetten: ‘Salud, camaradas!’ Het
was een zeldzame sensatie, deze professionele verdedigers van de machthebbers de
groet te zien brengen van het uitgebuite volk. Toen wij de dag daarop een Guardia
Civil (maréchaussée) een arbeider zagen omhelzen, begon alles op een sprookje te
lijken.


Straatbeeld  vlakbij de oude haven en het standbeeld van Columbus, kort na het neerslaan van de coup.

Toevalligerwijze bemerkten wij in een voorbijrazende auto Juanito, en nog een
andere bekende, Paco. Ook zij hadden ons gezien en stopten. Wij bestormden elkander
met vragen. Paco en Juanito waren beiden bewapend, met revolvers die zij reeds ontzekerd in de hand hielden. Een paar der inzittenden bezaten ook geweren: een jachtgeweer en
een goede karabijn.
‘Vechten jullie niet mee?’ vroeg Juanito met ironische verbazing.
‘Vreemdelingen...’ zei Paco, een tikje verachtelijk.
Maar de mannelijke ijdelheid zette hen over de lichte teleurstelling heen, dat wij slechts toeschouwers gebleven waren. En zij begonnen opgewonden de toedracht van zaken te vertellen.

De officieren van een paar aan de rand van de stad liggende kazernes hadden hun
manschappen getracteerd op cognac, en ze toen de straat op gecommandeerd ‘ter
verdediging van de republiek.’ Bij het universiteitsgebouw vond het eerste treffen
plaats, een tweede troep rukte van het Noorden aan, een derde van de haven uit. Zo
zouden zij het centrum van de stad als het ware kunnen insluiten. Maar de
patrouilledienst der arbeiders had goed gefunctioneerd; uit zijstraten, hoeken en
portieken drongen zij te voorschijn, verschansten zich achter stenen banken en bomen,
en namen de verraste soldaten onder vuur. De officieren voerden licht veldgeschut
en machinegeweren aan; de kanonnen werden door er op los stormende mannen en
vrouwen genomen, die ze veroverden met de blote handen, of met geen ander wapen
dan knuppel en keukenmes.


Toen wij de dag daarop een Guardia Civil  een arbeider zagen omhelzen, begon alles op een sprookje te lijken

‘Hoe zijn jullie dan aan vuurwapens gekomen?’ vroeg ik. ‘Een paar kameraden
uit het havenbedrijf wisten, dat er een schip vol wapens aan een der kaden lag. Dat
schip hebben we met behulp van kameraden van de F.A.I. zondagochtend in alle
vroegte leeggehaald. En toen wij eenmaal de kazernes en de kloosters hadden, waarin
wij stormenderhand zijn binnengedrongen, kwam er genoeg te voorschijn.’

Juanito scheen jaren ouder geworden te zijn in die enkele uren.
‘De twee grootste slagen,’ sprak Paco, de bedaardere, ‘zijn op de Plaza de Cataluña
en in het havenkwartier, bij de Capitanía geleverd, vanwaar de Rebellen het
hoofdcommando voerden. De telefooncentrale is regelrecht belegerd en met
geschutvuur genomen. Maar wij wisten, dat dit gebouw tot elke prijs in onze handen
moest blijven.
Het gehavende Telefonica-gebouw aan het Plaça de Catalunya.

 Aan de overkant hadden de militairen zich in het Hotel Colón sterk
gemaakt. We hebben ze er ook uit gekregen, net als uit de Capitanía.’
‘En hoeveel verliezen?’ vroeg mijn gezel.
Veel. Doden en gewonden tezamen: enige honderden minstens.’
‘Caramba!’
Francisco Ascaso op de Rambla, een paar minuten voor zijn dood.

Bij de haven was Ascaso gevallen, de bekende anarchistenvoorman. C.N.T. en
F.A.I. hadden de morele leiding van de tegenweer gehad. Bijna alle arbeiders droegen
het zwart-rood van de Anarchistische Federatie, en de auto's waren met hún letters
beschilderd. Ook Estat Català (regionalisten) en P.O.U.M. (revolutionaire socialisten)
vielen op. Van de P.S.U. (IIIde Internationale) was aanvankelijk het minst te
bemerken, wat wel merkwaardig is voor een partij die zich later het breedst gemaakt
heeft.

Wij besloten elkander de volgende morgen in de stad te ontmoeten. Een
waanzinnige afspraak. Maar de weg erheen was vol sensaties. Door de lege straten
suisden voortdurend auto's met gewapende arbeiders, vele thans ook bedekt met
matrassen en beddegoed; iedereen voerde zijn eigen nachtlogies met zich mee in
deze bewogen tijd. Men begroette elkaar met luide roepen: ‘Viva la República!’
‘Vivaaaa!!’


Meer info over De Sfinx van Spanje:
http://www.npogeschiedenis.nl/nieuws/boeken/2011/mei/Boek-van-de-week-De-sfinx-van-Spanje.html
http://www.npogeschiedenis.nl/ovt/afleveringen/2011/OVT-08-05-2011/Albert-Helman-en-de-Spaanse-Burgeroorlog.html


Barcelona Revisited - Bijzondere fiets- en wandeltours door Barcelona

BCN BITES - kijk voor meer nieuws over Barcelona en Catalonië op onzeFacebook pagina!

08-03-2015

Josep Renau en de eeuwige Spaanse vrouw

 Het contrast is groot in deze fotocollage van Josep Renau. Links zien we een ingetogen bruidje uit Salamanca. Rechts een gebroekte militiestrijdster, afkomstig uit het rebelse Barcelona. Het Franse bijschrift, vertaald:
'Zich losbrekend van haar pantser van bijgeloof en ellende van de eeuwenoude slavernij is geboren De VROUW, in staat een actieve bijdrage te leveren aan de toekomst.'

Renau´s verbeelding van de ‘oude’ en ‘nieuwe’ Spaanse vrouw was in 1937 een van de sociale kunstwerken in het Spaanse paviljoen op de Wereldtentoonstelling van Parijs. De expositie opende op 25 mei. Eerder die maand was tijdens de infame Meidagen in Barcelona de sociale revolutie de definitieve doodsteek toegediend.

Vrouwen demonstreren voor betere leefomstandigheden, Barcelona 1910.
Vrije vrouwen
Een revolutie dus, die net op gang was, zeker wat vrouwen betreft. De libertaire vrouwen van Mujeres Libres (Vrije Vrouwen) wisten het al: gelijkheid voor vrouwen zou niet ‘automatisch’ volgen uit de sociale revolutie, een gedachte die leefde onder ‘mainstream’ anarchisten in Spanje. Hun in april 1936 opgerichte organisatie voerde een dubbele strijd: voor sociale revolutie én vrouwenbevrijding.

Spanje was op dat moment een extreem seksistische samenleving. En niet alleen aan de rechterzijde. Lees maar wat anarchiste Lola Iturbe schreef in 1935:

Al die compañeros (kameraden), hoe radicaal ze ook mogen zijn in cafés, vakbonden, en zelfs affiniteitsgroepen, lijken hun kostuums als liefhebbers van vrouwelijke bevrijding te laten vallen bij de deuren van hun huizen. Binnen behandelen ze hun compañeras (zusters) net als iedere gewone ‘echtgenoot’.

Stemrecht
Met komst van de Tweede Spaanse Republiek in 1931 kwam er wel verandering. Vrouwen kregen bijvoorbeeld in 1933 stemrecht. En in grote steden als Barcelona verschenen meer en meer vrouwen op de arbeidsmarkt. In de belangrijke textielsector (de basis van de industrie van Barcelona), dezen zij een groot deel van het werk. Ze verdienden 50 tot 60 procent minder dan hun mannelijke collega´s.

Vrouwen mochten in 1931 niet meedoen aan het referendum over het autonomie-statuut van Catalonië. Vierhonderduizend Catalaanse vrouwen betuigden hun steun met een handtekening.

De revolutie van 1936 versnelde een en ander nog eens. In Barcelona werd bijvoorbeeld driekwart van de bedrijven gecollectiviseerd. Het verschil tussen mannen-en vrouwenlonen werd kleiner en vaak zelfs opgeheven. Vrouwen werden overigens binnen die collectieven pas belangrijk naarmate de oorlog vorderde en er alleen nog mannen vochten aan het oorlogsfront.


Arbeidsters van de Companya de Tramvies in Barcelona tijdens de burgeroorlog.

Het aantal vrouwelijke strijders in de Spaane Burgeroorlog was overigens nooit groot, al doen de talloze foto´s van gewapende militievrouwen anders vermoeden. In de meeste gevallen werden de vrouwen ook nog eens begeleid (of zelfs beschermd) door hun vader, echtgenoot of broer. Eenmaal aan het front werden velen verbannen in traditioneel vrouwelijke rollen, zoals koken en verpleging.

Militiestrijdster in de Guadarrama bergen bij Madrid; 6 juli 1936, kort na het begin van de burgeroorlog. (foto: Josep Brangui).

Een befaamde wervingsposter is die van een vrouw in  nauwsluitende overall – Marlene Dietrich stond ‘model’.  De kreet 'Les milicies us necessiten!' ('De Milities hebben je nodig'), was echter gericht op mannen - zie ook de figuren op de achtergrond, louter marcherende mannen.


In de herfst van 1936 al wilden alle anti-fascistische organisaties, met inbegrip van de anarchistische CNT en zelfs Mujeres Libres vrouwen nog slechts inzetten voor ondersteunende taken aan het front. Een verordening van de Republikeinse regering was nog radicaler: 'Mannen aan het gevechtsfront, vrouwen in de achterhoede.'

Militiestrijdsters breien truien voor hun 'compañeros', september 1936. (foto: ABC)
Een maatregel ingegeven door tactische overwegingen. Vrouwen aan het front? Dat zou de indruk bij grootmachten als Engeland en Frankrijk dat die Spaanse revolutie écht iets voorstelde alleen maar groter maken en daarmee de kans op hun (wapen)hulp kleiner.
Vanaf dat moment veranderde de oorlogspropaganda ook van karakter. De vrouw kreeg weer haar traditionele rol van lijdende moeder en echtgenote, slachtoffer van de oorlog.
'Mannen aan het front, vrouwen in de achterhoede'
De sociale revolutie was in mei 1937 definitief over, de oorlog ging door. Franco´s overwinning in april 1939 betekende een dubbele nederlaag voor de Spaanse vrouw: ze werd teruggeschopt in haar traditionele onderdanige rol.

 Guernica
Picasso bij de onthulling van Guernica.

Josep Renau was ook medeontwerper van het Spaanse paviljoen in Parijs. Hij gaf onde meer opdracht voor de verreweg bekendste kunstzinnige bijdrage, Picasso´s Guernica.
Een schreeuw van verzet, dit schilderij. Niet alleen tegen de Spaanse Burgeroorlog, maar tegen élke oorlog. En wereldwijd nog even actueel als in mei 1937. Josep Renau´s fotomontage, veel minder bekend, was op dat moment al achterhaald. Met evenveel recht kun je echter stellen dat zijn collage even tijdloos is. Ook nu nog, bijna tachtig jaar later.

Twee Spaanse cijfers: het gemiddelde uurloon van Spaanse vrouwen is nog altijd 19 % lager dan dat van hun mannelijke collega´s; sinds 2003 werden in Spanje 800 vrouwen door hun mannelijke partner vermoord.

De 'eeuwenoude slavernij' is nog niet over. De strijd van vrouwen gaat door.




BCN BITES - kijk voor meer nieuws over Barcelona en Catalonië op onze Facebook pagina!

30-03-2014

Het verhaal van Bernardo - Hoe Israël niet alleen de Catalaanse natie, maar ook de Catalaanse religie erkende


Bernardo was born in Barcelona, Catalonia, in 1924. Years later he would be called Dov. Bernardo's mother, like Shulek's mother, was a religious woman her entire life, although she attended a church rather than a synagogue. His father, however, had early on abandoned any intensive preoccupation with the soul and, like many other metalworkers in rebellious Barcelona, become an anarchist. At the beginning of the Spanish Civil War, the anarcho-syndicalist cooperatives supported the young leftist republic and for a while actually ruled
Barcelona. But the right-wing, Francoist forces soon reached the city, and young Bernardo fought alongside his father in the final retreat from its streets.

Bernardo's conscription into Franco's military, a few years after the end of the Civil War, did not soften his feelings about the new regime. As an armed soldier in 1944, he deserted to the Pyrenees, where he helped other opponents
of the regime cross the border. Meanwhile he waited eagerly for the American
forces to arrive and bring down the cruel ally of Mussolini and Hitler. To his
dismay, the democratic liberators did not even try. Bernardo had no choice
but to cross the border himself and become a stateless person. He worked as a
miner in France, then stowed away on a ship in hope of reaching Mexico. But
he was caught in New York and sent back to Europe in shackles.


Thus in 1948 he, too, was in Marseilles, working in one of the shipyards.
One evening in May, he met a group of enthusiastic young men in a dockside café. The young metalworker, still dreaming of the human beauty of Barcelona's revolutionary cooperatives, became convinced that the kibbutz in the new
state of Israel was their natural successor. Without the slightest connection to Judaism or Zionism, he boarded an immigrant ship, arrived in Haifa and was promptly sent to the battlefront in the valley of Latrun. Many of his companions
fell during combat, but he survived and immediately joined a kibbutz, just as he had dreamed of doing that spring day in Marseilles. There he met the woman of his life. Along with several other couples, they were married by a rabbi in a speedy ritual. In those days, the rabbis were still happy to provide this service and asked no superfluous questions.




The Ministry of the Interior soon discovered that a serious error had been made: Bernardo, now known as Dov, was not a Jew. Although the marriage wasnot annulled, Dov was summoned to a formal meeting to clarify his true identity.
In the government office to which he was directed sat an official wearing a large
black skullcap. At that time, the religious-Zionist party Mizrahi, which ran the Ministry of the Interior, was cautious and hesitant. It was not yet insistent about "national" territories or the politics of identity exclusion.
The exchange between the two men went more or less as follows:
"You are not a Jew, sir," said the official.
"I never said I was," replied Dov.
"We shall have to change your registration," the official said casually.
"No problem," Dov agreed. "Go right ahead."
"What is your nationality?"
"Israeli?" Dov suggested.
"There is no such thing," stated the official.
"Why?"
"Because there is no Israeli national identity," the ministry official said
with a sigh. "Where were you born?"


"In Barcelona."
"Then we'll write 'nationality: Spanish.' "
"But I'm not Spanish. I'm a Catalan, and I refuse to be categorized as
Spanish. That's what my father and I fought about in the 1930s."
The official scratched his head. He knew no history, but he did respect
people. "So we'll put 'nationality: Catalan.' "
"Very good!" said Dov.
Thus Israel became the first country in the world to officially recognize the
Catalan nationality.
"Now, sir, what is your religion?"
"I'm a secular atheist."
"I can't write 'atheist.' The State of Israel does not recognize such a cate-
gory. What was your mother's religion?"
"The last time I saw her, she was still a Catholic."
"Then I shall write 'religion: Christian,' " the official said, relieved.
But Dov, normally a calm man, was growing impatient. "I won't carry an
identity card that says I'm a Christian. It's not only opposed to my principles; it
offends the memory of my father, who was an anarchist and set fire to churches
in the Civil War."
The official scratched his head some more, weighed the options, and found
a solution. Dov left the ministry office with a blue identity card that declared
both his nationality and his religion to be Catalan.

Uit: Shlomo Sand - The Invention of The Jewish People. Verso, 2009.
Bron: Cataloniawatch
Illustraties uit de Rylands Haggadah, Catalonië, circa 1330.


BCN BITES - kijk voor meer nieuws over Barcelona en Catalonië op onze Facebook pagina!