20-02-15

De beroemdste slavenhandelaar van Barcelona valt eindelijk van zijn voetstuk





Lopéz el negre, noemden de  Barcelonezen van hem al tijdens zijn leven. Antonio Lopéz y López ( Comillas, 1817), succesvol zakenman en vanaf 1878 markies van Comillas, een cadeautje van zijn grote vriend koning Alfons XII. Bourgeois-Barcelona eerde haar grote zoon met een eigen avenue plus plein met standbeeld.

Het Plaça d'Antonio López kort na de plaatsing van het beeld in 1884. Op de achtergrond het San Sebastian convent. Het convent werd in 1900 afgebroken, om plaats te maken voor de Via Laeitana.

De avenue (op de Montjuïc) verloor El negre in 2011. Nu volgen wat betreft de eco-socialisten (ICV-EUiA) in de gemeenteraad van Barcelona ook plein en beeld van el negre; dat niet ‘de zwarte’ of iets dergelijks betekent,  maar  ‘de slavenhandelaar’.

Sjouwer
Plaats van handeling is het Cuba van 1830. López arriveert er als veertienjarige na een mislukte ‘carriérestart’ in Cadíz. Hij begon er als sjouwer.  De arme sjouwer ontmoet een rijke Cubaanse dame met Catalaanse roots, Lluïs Bru. Vanaf dat moment is het uit met slavenarbeid, López handelt liever in slaven.

'Wij verkopen dieren en slaven.' Advertentie van 1839 in de Cubaanse krant La Habana.
Het geld van zijn bruid steekt López in een grote koffieplantage en in schepen, nodig om slaven te halen uit Afrika. Slavenhandel boven de Evenaar is volgens een afspraak tussen Engeland en Spanje vanaf 1820 verboden, maar dat verbod lapt de jonge ondernemer aam zijn laars, net als talloze andere indianos (de benaming voor Catalanen die fortuin hadden gemaakt in de Amerikaanse koloniën) deden.


Cholera
In 1853 zien we onze man terug in Barcelona. Op de vlucht voor de Cubaanse cholera en steenrijk. Zijn nieuwe project wordt een stoombootmaatschappij, López y Compañia. López en partners verwerven het alleenrecht op het vervoer van twee soorten goederen: de post en soldaten. Hun schepen brengen in 1860 de Spaanse troepen naar Marokko om daar de laatste koloniale bastions in Afrika (Ceuta en Melilla) veilig te stellen.



Van het Spaanse rijk in de Amerika is dan ook niet veel meer over. In 1868 begint op Cuba, een van de laatste bastions, de Tienjarige Oorlog. Spanje, bang om haar belangrijkste afzetmarkt te verliezen, steekt zich in de schulden om de oorlog te financieren.

Antonio López verdient geld aan de oorlog. Bij zijn net opgerichte verzekeringsmaatschappij kunnen burgers zich kunnen verzekeren tegen werving door het leger. Al snel daarna begint López een bank, samen met een aantal vrienden, waaronder Manuel Girona, in de jaren 1880 financier van de nieuwe voorgevel van Barcelona´s kathedraal. De bank stort tegen woekerrente geld in de Spaanse oorlogskas. Ondertussen worden wat familiebanden aangehaald. In 1871 trouwt López' dochter Isabel met Eusebi Güell, zoon van collega-indiano Joan Güell en de latere mecenas van architect Antoni Gaudí.

Jacint Verdaguer
 Van mooie huizen hield Antonio López ook. Zijn Palau Moja aan de Rambla mocht met recht een paleis heten. Het  stimuleert schoonzoon Eusebi Guëll later zelfs tot de bouw even verderop van een nóg mooier paleis, Palau Güell.

López' culturele favoriet is echter de poëzie en dan vooral de Jocs Florals, een jaarlijkse dichtwedstrijd naar middeleeuws model. Het concours is het succesnummer van de Renaixança, de halverwege de 19de eeuw ingezette revivalbeweging van de Catalaanse taal en cultuur. Winnaar in 1873 is Jacint Verdaguer(1845-1902) een scheepskapelaan van López. Het bekroonde L’Atlàndita (De Atlantis) is voor velen nog altijd dé verwoording van het Catalaanse volksgevoel.

De verrukte López neemt de dichter-priester liefdevol op in zijn paleis aan Ramblas. Totdat Verdaguer begint met uitdelen van diens geld onder de armen, uit wroeging over slavenhandel van zijn baas. Verdaguer wordt op straat gezet. Een held van de pen, oké. Een Robin Hood van vlees en bloed echter, dat gaat López te ver.

Jacint Verdaguer, Robin Hood van de Rambla.
In 1878 is de oorlog met Cuba over. López krijgt als dank voor bewezen diensten van koning Alfons XII z´n adellijke titel. Zijn oorlogsbank gaat verder als de Banco Hispano Colonial (BHC)

Een held van de pen, oké. Een Robin Hood van vlees en bloed echter, dat gaat López te ver

De Tragische Week
Na het verlies van de laatste kolonie wordt de naam Banco Hispano Americano. In 1911 wordt het nieuwe hoofkantoor betrokken aan de gloednieuwe Via Laietana. Het pand op nummer 3 (nu Hotel Colonial) is zelfs het allereerste gebouw aan deze verbindingsas tussen de Eixample en de haven. Logisch: de bank had de werkzaamheden grotendeels gefinancierd. Voor de zakenavenue moesten wel 85 historische straten wijken. Duizenden mensen verloren hun huizen. Aan vervangende woonruimte was niet gedacht.

Antonio López y López in in 1911 al jaren overleden. Zoon Claudio López Bru heeft het zakenimperium van zijn vader overgenomen en uitgebouwd. De oude López had de laatste jaren van zijn leven zijn stoombootmaatschappij weer nieuw leven ingeblazen. De schepen van deze Compañia General Tabacos de Filippinas komen zoon Claudio in 1909 goed van pas bij het voortzetten van een oude familietraditie: het verschepen van soldaten naar Marokko.



Met het oog op de toekomst. Bij de aanleg krijgg de Via Laietana alvast een metrotunnel.

In het land woedt in 1909 de Melilla-oorlog. Een conflict dat grotendeels draait om het beschermen van de belangen van de Güells en de Comillas in de ijzermijnen.
De oorlog loopt niet lekker. Spanje leidt enorme verliezen. Versterkingen zijn nodig. De keuze valt op reservisten uit de Catalaanse arbeidersklasse.

Een slechte keuze. Sinds het verlies van Cuba, Puerto Rico en de Filipijnen zijn pacifisme en antimilitarisme onder de Catalaanse arbeidersklasse wijdverspreid. Bovendien heeft het merendeel van de reservisten de verplichte militaire dienst al gedaan. Een verplichting waarvan ze zich in theorie kunnen vrijkopen, volgens een regeling die sinds 1885 van kracht is. De kosten: 1500 peseta´s, een bedrag waarvoor een gemiddelde arbeider drie jaar lang moet werken.

Rijke katholieke dames
Op 18 juli slaat de vlam in de pan. Een groep dienstplichtigen gaat aan boord van schepen die liggen afgemeerd in de haven van Barceloneta. Een groep rijke katholieke dames, waaronder de markiezin van Comillas, begint met het uitdelen van religieuze medailles onder de menigte. Tot woede van de soldatenvrouwen.

Troepen voor Marokko gaan aan boort in de haven van Barceloneta


  “Ik opende mijn ogen voor de onrechtvaardigheden van het leven op een ijskoude dag in de haven van Barcelona toen een priester ons zegende, de soldaten die naar Marokko werden gestuurd”

De dagen daarna groeit de spanning. Op 26 juli volgt een algemene staking die uitloopt op een opstand in de hele stad. Spoorlijnen worden vernield; barricades verschijnen in de straten; tachtig kerken en kloosters  - de katholieke kerk wordt gezien als de ideologische steun van de heersende klasse - worden aangevallen. In de straten klinken kreten als "Dood aan Güell en Comillas!" De onlusten gaan de geschiedenis in als de Tragische Week.

 “Ik opende mijn ogen voor de onrechtvaardigheden van het leven op een ijskoude dag in de haven van Barcelona toen een priester ons zegende, de soldaten die naar Marokko werden gestuurd,” schrijft een Marokko-ganger later. De man is inmiddels lid van de CNT, de anarchistische vakbond, opgericht een jaar na de Tragische Week van 1909.


Juli 1909. Barricades in El Raval tijdens de Tragische week.

Wie weet behoren zijn kinderen ruim twee decennia later wel tot de Joventuts Llibertàries. Deze anarchistische jongerenclub haalt tijdens de revolutie van 1936 het standbeeld van Antonio López  neer. Het brons,  oorspronkeljk afkomstig van afgedankte schepen van López, gaat naar de wapenindustrie; munitie tegen Franco; recycling recyclet.


Onschuldig
‘De korte zomer van anarchie’ (Hans Magnus Enzensberger) gaat voorbij, de oorlog met Franco wordt verloren. In 1940 keert López beeltenis terug op het plein. Een stenen kopie van het oorspronkelijke beeld, gebeeldhouwd door Frederic Marès. Een van de opschriften is de tekst van het condoleance-telegram uit 1884 van de diepbedroefde Alfons XII.  ‘Spanje heeft een van de mannen verloren die aan haar de grootste diensten hebben verleend.’

In 2011 krijgt de Avinguda de Comillas op voorspraak van vakbonden UGT en CCOO een andere naam: Avinguda de Francesc Ferrer i Guàrdia. Een eerbetoon aan de anarchistische pedagoog die, totaal onschuldig, in 1909 op het kasteel van de Montjuïc werd gefusilleerd als vergelding voor de onlusten van de Tragische Week.

Een poging om  ook het beeld van López te laten verdwijnen strandt in 2011. Misschien lukt het dit keer. Het plein zelf zou de naam moet krijgen van een vrouw die zich heeft ingezet voor sociale gerechtigheid. Gedacht wordt aan Josefina Piquet (1934-2013), jongste lid van de Dones de 36, een vereniging van vrouwen die de Spaanse Burgeroorlog overleefden en met jongere generaties Spanjaarden hun ervaringen delen. Opdat zij niet vergeten. En voor velen: opdat zij weten.

Bomalarm. Barcelona 1939





BCN BITES - kijk voor meer nieuws over Barcelona en Catalonië op onze Facebook pagina!

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen